Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar al hadden zij ook in Brahma hun gemeenschappelijk middelpunt, toch was deze Brahmawereld nog in zekere mate begrensd. Want evenals het menschehjké oog reeds in de vroegste tijden aan het hemelgewelf een dierenriem had opgemerkt, zoo zagen hier de sterrengoden een aantal dierenriemen, die in elkaar en om elkaar ge teekend waren, zoodat zij een geheel sferenvlak van beelden vormden, waarbij de verste sterrenbeelden tot lichtende figuren in elkaar smolten. In elkaar stralende en elkaar verhchtende, vertoonden zich daar beelden, astraalvormen van alle wezens die op de verschillende wereldbollen en daartusschen leven en krioelen — blijvende, oorspronkelijke vormen van alles wat in grovere elementen gehuld, onophoudehjk ontstaat en vergaat, in de eeuwig wisselende vloed van het worden.

En dit aanschouwen dier oorspronkehjke vormen was hun wereldwijsheid. Doch daar zijzelven geheel en al oog waren en zonder van het een naar het ander te zien, zonder blikken, met een enkelen oogopslag Gods eenheid en de veelvuldigheid der overige wezens op de wereld konden waarnemen, zoo viel voor hen het God-kennen en de wereld-kennen te zamen. Wanneer namehjk een mensch den blik richt naar de goddelijke eenheid, verliest hij de menigvuldigheid van de wereld uit het oog, en wanneer hij deze weder aanschouwt, kan hij niet langer de eenheid meer vasthouden. Zoo blijft zijn weten gebrekkig en is een wankelend, bestendig door twijfel bedreigd weten. Zij daarentegen zagen tegehjk middenpunt en omtrek en daardoor was

Sluiten