Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo kon ik het dan onder dit gastvrije dak niet langer meer uithouden; ik moest Buddha zien te bereiken eer hij ons verhet. Het was immers een groote troost geweest, dat wij ons steeds hadden kunnen wenden tot hem, de onuitputtelijke bron van wijsheid.

Toen dan ook, na verloop van een dag of tien, mijn krachten mij weer eenigszins vergunden om verder te wandelen, togen wij op weg. Mijn vriendelijke gastvrouw, die er zich een gewetensbezwaar van maakte dat zij mij in mijn zwakken toestand liet vertrekken, troostte ik door haar te beloven dat ik haar groet aan de voeten van den Verhevene zou leggen.

Wij gingen nu in noordwestelijke richting, van plaats tot plaats vragende en het spoor van den Verhevene volgende, dat hoe langer hoe duidelijker werd naarmate wij verder kwamen. Te Ambagama was hij geweest acht dagen voordat wij dit stadje bereikten. Het Salabosch bij Boganagara had hij drie dagen voor onze aankomst verlaten om zich naar Pava te begeven.

Vol moed bereikte ik in den namiddag deze plaats. Het eerste huis waar ik aankwam, behoorde aan een kopersmid, wat ik kon afleiden uit de vele metaalwaren die langs den muur stonden. Doch men vernam geen hamerslagen. Het scheen een feestdag te zijn; in den tuin waren^bedienden aan de bron bezig met het afspoelen van schalen en borden, alsof er een bruiloft had plaatsgehad.

Een feestelijk gekleede man kwam naar ons toe en vroeg ons beleefd of hij onze bedelnappen mocht vullen.

— Indien gij eenige uren eerder gekomen waart,

De pelgrim Kamanita 20

Sluiten