Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welken ik het te danken had, dat ik nu aan de voeten van den Volmaakte stond. De bovenaardsche glans, die mij van daar begroet had, straalde nu in geestelijke verheerhjking van zijn gelaat terug. Ook hij, de Volmaakte, scheen evenals gindsche, als boven de aarde zwevende bergtop, niet meer tot de aarde te behooren en toch was hij, evenals deze, van denzelfden bodem die ons allen droeg, gestegen tot die duizelingwekkende geesteshoogte, vanwaar hij nu op het punt stond uit het oog van menschen en goden te verdwijnen.

De Verhevene sprak tot Ananda, die voor hém stond en zeide:

Ik weet wel, Ananda, dat gij de eenzaamheid opzocht en bitter weende bij de gedachte: „Ik ben nog niet vrij van zonde; ik ben het doel nog niet genaderd en mijn meester, die zich over mij erbarmde, zal nu intreden in Nirwana." Maar niet aldus, Ananda! — klaag niet, zorg niet! Heb ik het u niet menigmalen gezegd, Ananda: van alles wat men hefheeft, moet men scheiden. Hoe zou hef mogelijk zijn, Ananda, dat wat ontstaan is, niet verging? Maar gij, Ananda, hebt langen tijd den Volmaakte geëerd, zijt hem met hefde en blijdschap, zonder valschheid verknocht geweest. Gij hebt gedaan wat goed was. Streef ernstig en weldra zult gij vrij zijn van aardsche begeerten, zelfbedrog en dwaling.

Als om te bewijzen dat hij zich niet meer door zijn verdriet liet overweldigen, vroeg Ananda, hoewel met moeite zijn stem beheerschende, hoe de discipelen na zijn dood met het hchaam van den Volmaakte moesten handelen.

Sluiten