Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat er op zijn gegeven raad aan den krijgsman gevolgd was; en bij het hooren der weinige woorden tusschen de Roodhuiden gewisseld, gaf hg zijn genoegen met een hoofdknik te kennen. Het opperhoofd stond in diep gepeins verzonken en wierp een onbeschrijfelijken blik op de jeugdige, slapende vrouw; eindelijk streek hij zich eenige malen met de hand over het voorhoofd, als zocht hij de wolken te verdrijven, die zyn brein benevelden terwijl hij zich tot den jager wendde.

„Mijn broeder met het blanke gezicht heeft rust noodig," zeide hij, „het opperhoofd zal waken."

„De wolven keffen niet langer, de maan is achter de heuvels verdwenen, en een grauwe lichtstreep teekent zich aan den horizon," antwoordde de Canadees, „weldra zal het dag worden, de slaap is mijn oogleden ontvloden, het past den mannen zich te beraden."

De Indiaan maakte een buiging, maar antwoordde niet; hij legde zijn buks op den grond en verzamelde eenige armen vol dorre takken, die hij naast de slapende vrouw opeenstapelde.

De Canadees sloeg vuur; weldra was de houtstapel in brand gestoken, en kleurde de vlam het geboomte met een rooden gloed; daarna hurkten de beide mannen naast elkander op den grond neder, stopten hunne rietpijpen met manachee, of gewijden tabak, en begonnen stilzwijgend te rooken, met die deftigheid en ernst, die de Indianen onder alle omstandigheden aan deze symbolische plichtpleging verbinden.

Wij zullen van dit oogenblik rust, dat hel toeval ons aanbiedt, gebruik maken, ten einde den lezer het portret te geven van deze drie personen, die geroepen zijn om in ons verhaal zulk een gewichtige rol te spelen.

De Canadees was een man van omtrent vijf en veertig jaren, zes Engelsche voeten lang, rank, mager en gezond van gestel; bijna geheel uit spieren, pezen en zenuwen bestaande, was hij volmaakt geschikt voor zijn ruw- beroep als woudlooper, waartoe noodwendig buitengewone kracht en stoutmoedigheid worden vereischt.

Als de meesten zijner landgenooten, droeg de Canadees in zyn gelaat den stempel van het Normandische ras in al zijne zuiverheid; zyn breed voorhoofd, zyn grijze, maar levendige oogen, zijn min of meer gewelfde neus, zyn groote met een dubbele rij prachtige tanden gewapende mond, en de dichte, blonde met enkele grauwe haren vermengde lokken, die welig onder zijn muts van otter-bont uitkwamen en met groote krullen over zijne schouders vielen, dit alles gaf aan den jager een open, eerlijk en trouwhartig voorkomen, dat terstond beviel en reeds bij de eerste ontmoeting belangstelling en vertrouwen inboezemde. Deze ontzagwekkende reus heette eigenlijk Bonnaire, maar was in de prairiën alleen bekend onder den bijnaam van Loer-Yogel, een titel dien hij ten volle rechtvaardigde door de scherpte van zijn blik en de juistheid waarmede hij nesten en holen en allerlei wild, inzonderheid herten en dassen, wist te ontdekken.

Hij was geboren in den omtrek van Montreal, maar reeds in zijn vroege jeugd naar de bosschen van Opper-Canada medegenomen, had hy in het leven der wildernis zooveel aantrekkelijks gevonden, dat hij de beschaafde wereld voor altijd vaarwel gezegd en sedert bijna dertig jaren in de onmetelijke vlakten van Noord-Amerika had rondgezworven, slechts nu en dan steden of dorpen bezoekende, wanneer hij er wezen moest, hetzij om de vellen der dieren,

Sluiten