Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die hij geschoten had, te verkoopen, of om zich van een nieuwen voorraad kruit en kogels te voorzien.

Zijn makker, de Vliegende-Arend, was een der meest vermaarde opperhoofden van de zoogenaamde Witte-Bisons, een der machtigste en krijgshaftigste volksstammen der Comanchen.

Deze woeste en ontembare natie geeft zich, uit overmaat van trots, den hoogdravenden naam van Koningin der Prairiën, een titel, welken geen andere dan zij, zich zou durven toeëigenen.

De Vliegende-Arend, hoewel nog. zeer jong, daar hij nauwelijks vijf en twintig jaren telde, had zich reeds in vele gevallen door staaltjes van zulken ongehoorden moed en vermetelheid onderscheiden, dat alleen zijn naam een onweerstaanbaren schrik verspreidde onder de tallooze Indiaansche horden, die de woestijn onophoudelijk in alle richtingen doorkruisen.

Groot van gestalte, welgemaakt, en in alle deelen wel geëvenredigd, bezat hy fijne gelaatstrekken, met een paar oogen zoo zwart als de nacht, en welke bij een of andere sterke gemoedsbeweging, een zonderlinge vastheid van uitdrukking aannamen, die onwillekeurig eerbied afdwong; zijne gebaren waren edel, zijn gang en houding gracieus, en vol van die majesteit, welke den Indianen is aangeboren.

Het opperhoofd was gekleed in zijn gewonen oorlogsdos. Dit kostuum is merkwaardig genoeg om door ons eenigszins uitvoerig beschreven te worden,

Het hoofd van den Vliegenden-Arend was gedekt met den machdkoubhachka, een muts welke slechts door krijgslieden van rang gedragen wordt, die vele vijanden hebben gedood; zy' bestaat uit wit hermelijnen strooken, van achteren in een breeden lap rood laken samengevat, die tot aan de kuiten afhangt; van boven was er een pluim van rechtstandige witte en zwarte adelaarsvederen op vast gehecht, die dicht om het hoofd begon en hooger in een gesloten krans samenliep. Boven het rechter oor zat in zyn haren een roodgeverfd houten mes, ongeveer zoo lang als een mans hand: dit mes was het zinnebeeld van den dolk, waarmede hij het opperhoofd Dacotah had afgemaakt; bovendien droeg hij acht kleine blauwgekleurde en aan de punt met vergulde spijkers voorziene houten spaantjes of stokjes, om het aantal kogels aan te duiden door welke hij gewond was; boven zyn linker oor droeg hij een grooten bos gele aan het uiteinde met rood bestreken uilenvederen, als een teeken van zijn verbod met de Menin-Ochaté, of de bende der Honden ; zijn aangezicht was voor de helft roodgeverfd, en zyn lichaam bruinrood met strepen, waar de verf door een natten vinger was weggewischt. Zijn armen vanaf den schouder tot den pols waren met zeven en twintig gele ringen of banden geteekend, om het getal zyner groote wapenfeiten aan te duiden, en op zijn borst prijkte in blauwe verf de figuur van een menschenhand, die te kennen gaf dat hij menigmaal krijgsgevangenen had gemaakt. Om zyn hals droeg hij een prachtige mato-unknappininde of collier van grauwe berenklauwen, van drie duimen lengte en aan de punten witgemaakt. Zijn schouders waren bedekt met den grooten mihihee of bisonsmantel, die tot op den grond afhing en met verschillende kleuren beschilderd was. Om zijn middel sloot zich met een nauwen band de woupanpihunchi of broek, bestaande uit twee afzonderlijke deelen, een voor elk been, en strekkende tot aan den enkel, waar zij aan de buitenzijde met egels- of stekelvarkens-pennen van verschillende kleuren was bestikt, die in

Sluiten