Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een dichten bos samengevat eindigden en langs den grond sleepten; zijn nokké, een breede strook van wit en zwart gestreept laken, was om zijn heupen gewikkeld, en hing zoowel van voren als van achteren in lange plooien af; zijne hampes, of schoenen van bisonsleder, waren slechts weinig versierd, maar op de wreef met wolvenstaarten vastgemaakt, die hem langs den grond nasleepten, en het aantal der door hem overwonnen vijanden te kennen gaven; aan zijn ichparakehn of gordel, hingen aan de eene zijde een leeren kruitflesch, een kogelzak en scalpeermes, aan de andere een koker van pantervel, met lange van stalen punten voorziene pijlen gevuld, benevens zyn tomahawk (strijdbijl). Zijn erupha, of geweer, lag naast hem op den grond, maar onder zijn bereik voor dadelijk gebruik zoo het noodig mocht zijn.

Deze zonderling uitgedoste krijgsman had iets sombers en indrukwekkends, dat reeds op het eerste gezicht schrik inboezemde.

Wat de Wilde-Roos betreft, bepalen wij ons voor het oogenblik tot de opmerking, dat zij hoogstens vijftien jaren telde, zeer schoon was voor een Indiaansche en in hare elegante eenvoudigheid de strenge kleederdracht had aangenomen, die bij de vrouwen van haar stam in zwang was.

Eindigen wy hiermede deze, misschien te uitvoerige, maar tot kennismaking met de personen die op ons tooneel verschijnen zullen, hoogst noodige beschrijving en vervolgen wy ons verhaal.

Sedert geruimen tijd hadden de twee vrienden reeds zitten rooken, zonder een woord samen te wisselen ; eindelijk schudde de Canadees den kop van zyn pijp tegen den duim zijner linkerhand uit, en richtte het woord tot zyn makker.

„Is myn broeder voldaan ?" vroeg hij.

„Ooah/" antwoordde de Indiaan met een toestemmenden hoofdknik, „myn broeder heeft een vriend."

„Goed," hervatte de jager, „maar wat zal het opperhoofd nu doen?"

„De Vliegende-Arend zal zich met de Wilde-Roos bij de zijnen voegen en dan terugkomen, om het spoor der Apachen op te zoeken."

„Waartoe zou dat dienen ?"

„De Vliegende-Arend wil zich wreken."

„Met uw verlof, opperhoofd, niet dat ik u wil afraden om uwe plannen door te zetten tegen vijanden, die ook de mijne zijn, maar ik geloof dat gy deze zaak niet uit het rechte oogpunt beschouwt."

„Wat wil myn blanke wapenbroeder daarmede zeggen ?"

„Ik wil daarmede zeggen dat wij ver van de hutten der Comanchen verwijderd zijn, en eer wij die kunnen bereiken, zullen wy zonder twijfel nog menig verschil met onze vijanden te vereffenen hebben, wier opperhoofd misschien een beetje al te voorbarig meent, dat hij ons reeds van den hals heeft geschoven."

De Indiaan haalde hooghartig de schouders op.

„De Apachen zijn oude wijven, zwetsers en lafaards," zeide hy, „de Vliegende-Arend veracht hen."

,,'t Is mogelijk," hernam de jager, hoofdschuddend; „naar mijn gevoelen zouden wij echter wijzer gedaan hebben, .onzen weg te vervolgen, totdat de zon opkomt, om hen zoover mogelijk achter ons te krijgen, in plaats van ons hier zoo onvoorzichtig op te houden; wij zyn hier nog tamelijk dicht by het vijandelijke kamp."

Sluiten