Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het overige waren de arme lastdieren tot een staat van vermagering en zwakheid vervallen, die afdoende getuigenis gaf van de zware vermoeienissen, welke zij hadden moeten verduren. De karavaan was samengesteld uit omtrent dertig a vijf en dertig personen, allen gekleed in het eigenaardig en schilderachtig kostuum dier half-bloed jagers en gambusinos, die hetzij alleen of in kleine benden van drie of vier op zijn hoogst, de wildernissen van het Verre-Westen afloopen, en het diepst van zijn minst bekende schuilhoeken doorsnuffelen, om er te jagen, strikken te zetten, of de menigvuldige eoudaderen op te sporen, welke het in zijn schoot verbergt.

De avonturiers maakten halt, stegen af, koppelden hunne paarden aan piketten en hielden zich onverwijld, met al de vaardigheid en voortvarendheid die de dagelijksche gewoonte hun geleerd had, bezig, om hun kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. Over een vrij uitgestrekte ruimte werd het prairiegras uitgerukt; de pakken der muildieren werden in een grooten cirkel er om heen gestapeld, tot een soort van bolwerk om zich desnoods tegen een onverhoedschen aanval der zwervende Indianen te kunnen verweren ; vervolgens werden in den vorm van een Sint-Andnes-kruis de kampvuren aangelegd en ontstoken.

Nadat dit werk was afgeloopen, werd door sommige avonturiers een groote tent opgericht, boven een dicht gesloten en door twee- muildieren — een vóór en een achter - gedragen palankijn. Zoodra de tent klaar was, wd de palankijn van de muilezels afgeladen, en vielen de gordijnen der tent er zoo dicht omheen, dat zij geheel en al onzichtbaar werd.

Die palankijn was een raadsel voor de gansche karavaan; memand wist wat zij bevatte, ofschoon de algemeene nieuwsgierigheid ter zake van dit onverklaarbaar geheim, vooral in zulke eenzame en woeste streken gedurig wakker bleef en niet zelden hoog gespannen stond; iedereen hield echter zün gissingen en vermoedens zorgvuldig voor zichzelven, inzonderheid sinds dien noodlottigen dag, toen bij het doortrekken van een moeiehjken bergpas, een der jagers, — gebruik makende van de toevallige afwezigheid van den chef der quadrilla, die de palankijn nimmer verliet en haar bewaakte als een woekeraar z«n schat, de gewaagde gelegenheid waarnam, om even het gordijn op ,te heffen en naar binnen te kijken; maar nauwelijks had deze man den tijd gehad om een verholen blik door de gemaakte opening te werpen of de onverwachts terugkeerende chef had hem met een enkelen slag zijner machete het hoofd gekliefd en levenloos ter aarde doen storten.

Daarop had de kapitein zich met een waarschuwenden en onverbiddeliiken blik tot de verschrikte omstanders gewend en gezegd:

„Is er ook nog iemand onder u, die lust heeft om te ontdekken, wat ik voor allen verkies geheim te houden?"

Deze woorden werden op zulk een toon van bittere ironie en woeste boosaardigheid uitgesproken, dat zelfs de stoutsten der rooverbende, meerendeels lieden zonder eer of trouw en gewoon om de grootste gevaren al spottend te trotseeren, verschrikt terugdeinsden en het bloed in hunne aderen voelden verstijven. Deze eerste vermaning was genoeg geweest, en niemand had na dien tijd gewaagd, het geheim van hun kapitein uit te vorschen.

De laatste schikkingen voor het kampement waren nauwehjks afgeloopen, of een gedruis van paardenhoeven deed zich hooren, en twee ruiters kwamen in vliegenden galop aarirjjden.

Sluiten