Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op deze wyze aangesproken, wendde hij zich oogenblikkelijk tot zijn zegsman.

„Waar hebt gij het over, caballeros ?" vroeg hij.

„O, lieve hemel, het is een dood onnoozele zaak," antwoordde de avonturier; „uw paard, senor, is een schoon en edel dier, dat moet ik bekennen, maar het wil niet vreten met de onzen; het stampvoet en steigert en laat zijn tanden zien aan de kameraden, die wij het gegeven hebben."

„Nu, dat laat zich waarlijk licht begrijpen," merkte een tweede spottenderwijs aan, „dat paard is een „costeno" (kustpaard) hij .zal te gróotsch zijn om met zulke arme „tierras adentro" (binnenlanders) te grazen als de onzen."

Op deze zotte aanmerking barstten allen los in een daverend gelach.

De onbekende glimlachte schalks.

„Misschien is de reden die gij aangeeft de ware," sprak hij zachtzinnig, „maar misschien bestaat er nog een andere voor; in allen geval is er een gemakkelijk middeltje om het geschil op te lossen, hetwelk ik gaarne wil aanwenden."

„Ha I" zei de tweede avonturier, „en wat is dat ?"

„Ik zal het u dadelijk toonen," hernam de onbekende even bedaard als, te voren. Zich thans tot het paard wendende, dat door twee mannen nauwelijks te houden was, riep hij: „Laat hem los I"

„Maar als we dat doen, weet niemand wat er van komen kan.

„Laat hem los, ik sta u borg voor de gevolgen, Lelio 1" riep hij nu, „kom hier I"

Op het hooren van dezen naam stak het paard fier den edelen kop op, richtte den schranderen blik naar dengene die hem riep, ontrukte zich met een snelle en onweerstaanbare beweging aan de beide mannen, die hem poogdeD te weerhouden, deed hen onder het schaterend gelach hunner kameraden in het gras buitelen, sprong regelrecht naar zijn meester en streek hem met den kop langs de borst, onder vroolijk gehinnik.

„Gij ziet het," hervatte de onbekende, terwijl hy het edele dier met de hand streelde, „dat ging al zeer gemakkelijk."

„Hm I" antwoordde op gebelgden toon de eerste avonturier, terwijl hij zich oprichtte en den schouder wreef; „dat is een demonio, wien ik niet gaarne myn huid zou toevertrouwen, hoe oud en gerimpeld zij ook zijn mag."

„Laat hem maar stilletjes begaan, ik zal wel voor hem zorgen," zei de vreemdeling.

„Zoo waar ik Domingo heet, ik heb er al genoeg van," riep de andere; ,,'t is een edel dier, maar hij heeft den duivel in 't lijf 1"

De onbekende trok de schouders op maar antwoordde niet en keerde naar het vuur terug, gevolgd door zijn paard, dat stapvoets achter hem liep, zonder den minsten lust te betoonen om zich opnieuw aan de wonderlijke kuren schuldig te maken, die de verbazing der avonturiers zoozeer hadden gaande gemaakt, ofschoon meest allen volleerde meesters waren in de edele paardenkennis. Onze viervoeter was een volbloed van Arabisch ras, die zyn tegenwoordigen bezitter waarschijnlijk een aanzienlijke som had gekost, en wiens schoone vormen wel vreemd moesten voorkomen aan lieden, die geen andere dan Mexicaansche paarden gezien hadden. Zijn meester voorzag hem van het noodige voeder, koppelde hem in zyn nabijheid vast, en hernam zijn vorige plaats by het vuur.

Sluiten