Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schitterden helder en fier onder zijn hoog voorhoofd, terwijl zijn statige gestalte, stevig gespierde leden, en breede hooggewelfde borst een zeldzame kracht aanduidden. Inderdaad zou het moeilijk, zoo niet onmogelijk zyn geweest, om in de gansche uitgestrektheid der voormalige Spaansche koloniën een verleidelijker cavalier te vinden, wien het schilderachtige Amerikaansche kostuum beter stond en meer tot dén hombre de a caballo maakte, terwijl hy tevens in dezelfde mate al de uitwendige bekoorlijkheden in zich vereenigde, die de vrouwen zoo gaarne zien. Ondanks dit alles hadden voor een bevoegd opmerker, de oogen van don Miguel te veel diepte, en fronste bij zijn wenkbrauwen te huichelachtig en bedriegelijk, om niet te vermoeden dat er achter al die verleidelijke uitwendige gaven, een bedorven ziel en slechte hoedanigheden verscholen lagen.

Een jagers-maaltijd, die door goeden eetlust gekruid wordt duurt zelden lang; en ook de zijne was spoedig afgeloopen.

„Zie zoo," zeide de kapitein, zijn vingers aan een bosje gras afwrijvende; „nu een sigaartje om de spijsverteering te bevorderen, en dan zal ik de eer hebben u goeden avond te wenschen, gij zult toch zeker geen plan hebben om ons te verlaten eer de dag aankomt ?"

„Dat zou ik u niet kunnen zeggen," antwoordde de onbekende; „dat zal min of meer afhangen van het weer, dat wij van nacht krijgen; ik heb haast genoeg, en gy' weet caballero, wat onze buren, de Gringos zeggen: tijd is geld."

„Gij kent uw eigen zaken beter dan ik, caballero; handel volkomen naar goedvinden ; alleen sta mij toe, eer ik mij verwyder, dat ik u goeden nacht wensch en voorspoed op uwe ondernemingen." »

„Ik zeg u dank, caballero."

„Nu een enkel woord, of liever één vraag nog eer wij scheiden," „Spreek."

„Wel te verstaan, als gij die vraag te onbescheiden mocht vinden, zyt gy' volkomen vrij om haar onbeantwoord te laten."

„Dat zou mij zeer verwonderen van een caballero, die zoo wellevend is; verklaar u dus als ik u verzoeken mag."

„Ik heet don Miguel Ortega."

„En ik don Stefano Gohecho."

De kapitein maakte een eerbiedige buiging.

„Vergun mij nu op myn beurt dat ik u een vraag doe," hervatte de vreemdeling.

„Als ik u verzoeken mag."

„Waarom hebt gij mijn naam willen weten ?"

„Omdat het in de prairiën altijd goed is, zyn vrienden van zijn vyanden te kunnen onderscheiden."

„Dat is zoo, welnu ?" ;

„Welnu, thans ben ik overtuigd, dat ik u niet onder de laatsten zal tellen.'

",Quien sabe f Wie weet ?" lachte don Stefano ; „er bestaan zulke wonderbare gevallen."

Na eenige woorden op gelijke vriendschappelijke manier te hebben gewisseld, drukten de beide mannen elkander de hand, don Miguel begaf zich naar de tent, en don Stefano, na zijn voeten bij het vuur te hebben uitgestrekt, sliep in, althans sloot de oogen.

Sluiten