Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een uur later heerschte in het kamp de diepste stilte. De vuren verspreidden slechts een flauwen glans, en de schildwachten, op hunne geweren rustende, gaven zich zelfs aan die vage dommeling over, die wel geen slapen is, maar toch geen waken meer heeten mag.

Plotseling liet zich tweemaal achter 'een het sombere gekras hooren van een uil, die waarschijnlijk in een der naastbij staande boomen verscholen zat.

Don Stefano opende de oogen. Zonder van plaats te veranderen of zich te verroeren, verzekerde hij zich met een opmerkzamen blik, dat alles rondom hem in rust was; na zich vervolgens overtuigd te hebben, dat zijn machete en zijn revolvers nog op dezelfde plaats lagen, greep hij zijn buks, en bootste op zijn beurt het geschrei van den üil na. Een gelijkluidend geschreeuw gaf oogenblikkelijk antwoord.

De vreemdeling, zonder zich op te richten, plooide zijn zarape in een menschelijke gedaante, fluisterde zijn paard eenige zoete woordjes toe, om hem gerust te stellen en geduld te leeren oefenen, en zich thans op den grond uitstrekkende, kroop hij op handen en voeten stilletjes naar een der uitgangen van het kamp; toen hield hij even stil, om zoo scherp mogelijk rond te zien.

Alles bleef even kalm als te voren. Tot aan den voet der borstwering genaderd, die door de pakken der muilezels gevormd was, richtte hij zich op, sprong met de vaardigheid van eene boschkat over het bolwerk, en verdween in de prairie.

Op hetzelfde oogenblik stond in het kamp een man op, sprong mede over de borstwering en ijlde hem na.

Die man was Domingo.

III.

DE NACHTELIJKE SAMENSPRAAK.

Don Stefano Cohecho scheen met de wildernis zeer goed bekend; zoodra hij zich dus in de prairie bevond, en naar hij meende tegen alle lastige nasporing beveiligd was, stak hij moedig het hoofd op; zijn gang werd rustiger en stouter, zijn oog glom met een somberen gloed, en hij trad met snellen stap naar een boschje van palmboomen, wier schrale waaierkruinen bij dag slechts een onvoldoende bescherming tegen de brandende zonnestralen verleenden.

Inmiddels verzuimde hij de noodige voorzorgen niet; van tijd tot tijd bleef hij plotseling staan en luisterde naar het minste geritsel, of bespiedde met scherpen blik de donkere diepten der wildernis; en dan weder, na zich verzekerd te hebben, dat alles rondom hem in rust was, vervolgde hij eenige seconden later zijn tocht met denzelfden vasten tred, dien hij had aangenomen, toen hij het kamp verliet.

Domingo, om ons van een Indiaansche spreekwijze te bedienen, trad letterlijk in zyn voetsporen, bespiedde en beluisterde al zijn bewegingen

Sluiten