Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de behendigheid, die den mestiezen bijzonder eigen is, wel zorg dragende, dat de man, welken hij vervolgde, hem niet kon betrappen.

De mesties was een van die karakters, welke men in de grensdistricten maar al te veel aantreft, en die evenzeer begaafd met groote talenten als met grove gebreken, gelijkehjk in staat zijn om zoowel goede als slechte zaken te helpen uitvoeren, maar die zich meestal door hunne boosaardige neigingen laten besturen.

In deze oogenblikken volgde hij den vreemdeling zonder recht te weten waarom, en zonder voor zich zeiven te hebben uitgemaakt of hij voor of tegen hem zou te werk gaan; dit te beslissen hing af van den loop der omstandigheden, al naar mate hij berekenen kon, hetzij van verraad of van plichtbetrachting het meeste voordeel te zullen trekken; ook vermeed hij zorgvuldig*om zijn tegenwoordigheid te laten blijken, daar hij wel begreep, dat het geheim op welks ontdekking hij uit was, hem groote voordeelen zou kunnen aanbrengen, maar alleen en inzonderheid, wanneer hij het goed wist te gebruiken; steeds weifelend en onzeker, trok hij zich echter niet terug, maar ging derwijze te werk, dat hij de ontdekking van het kostelijk geheim geen oogenblik in de waagschaal stelde.

Meer dan een uur lang volgden de beide mannen dezelfde richting, zonder dat don Stefano een oogenblik vermoedde, dat hij werd nagespoord, en dat een der meest geslepen schurken uit de prairie hem dicht op de hielen zat.

Na tallooze wegen en omwegen door het hooge gras te hebben gemaakt, kwam don Stefano eindelijk aan den oever der Rio-Colorado, die op dit punt breed en kalm als een meer daarheen vloeide, over een zandige bedding, omzoomd door dichte bóschages van katoenboomen en hooge populieren, wier wortels tot den rand van het water reikten. Aldaar aangekomen, bleef de onbekende een oogenblik staan luisteren, bracht de hand aan den mond en bootste volmaakt het keffen van den coyote (wolf) na; bijna onmiddelhjk weerklonk hetzelfde geluid uit het lage oeverbosch, en vertoonde zich op korten afstand een lichte, van boomschors vervaardigde kaan, die door twee mannen werd geroeid.

„Ha I" zei don Stefano met een gedempte stem, „ik wanhoopte reeds u te ontmoeten.

„Hebt gij dan ons signaal niet gehoord ?" antwoordde een der roeiers in de kaan.

j,Zonder dat zou ik immers niet gekomen zijn. Maar mij dunkt dat gij wel een beetje vóór mij hier hadt kunnen wezen." |"„Dat konden we onmogelijk.''

De kleine prauw zat nu in het oeverzand; de twee mannen sprongen luchtig aan wal, en bevonden zich reeds het volgende oogenblik bij don Stefano. Beiden waren gekleed en gewapend als de jagers in de prairiën.

„Hm 1" hervatte don Stefano, „de weg is verduiveld lang van het kamp tot hier, ik vrees dat mén mijn afwezigheid zal ontdekken."

„Dat is een gevaar, waar gij niet buiten kunt," antwoordde de vorige spreker, een man van hooge gestalte, gunstig voorkomen en strenge gelaatstrekken, terwijl zijn haren, wit als sneeuw, in lange krullen over zyn schouders golfden.

„Enfin, nu gij er eenmaal zijt, zullen wij nader afspreken en vooral kort zyn, want de tijd is kostbaar. Wat hebt gij sedert onze scheiding gedaan?"

Sluiten