Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op uit, zoek en doorzoek de prairie in alle richtingen, help mij en zoo het immer mogelijk is, breng mij dan eenig bericht van Loer-Vogel."

„Uw aanbeveling is overbodig, ik zal niet werkeloos blijven."

Don Stefano greep de hand van den oudsten jager en drukte die met warmte:

„Vrij-Kogel," sprak hij met een ontroerende stem, „ik zal u niets zeggen van onze oude vriendschap of van de goede diensten, die ik meermalen het geluk had u te bewijzen, ik wil u slechts herhalen, wat ik weet dat voor u genoeg is, namelijk dat van het welslagen onzer onderneming mijn levensgeluk afhangt."

„Goed, goed, vertrouw op mij, don José, ik ben te oud om in de vriendschap te wankelen; ik weet niet wie in deze zaak ongelijk heeft, en of het recht aan uw zijde is; maar daarmede bemoei ik mij niet; wat er ook gebeure, ik zal toonen, dat ik uw goede en trouwe kameraad ben."

„Ik zeg u dank, mijn oude vriend, tot den volgenden nacht 1"

Met deze weinige woorden, maakte don Stefano, of hij die zich zoo liet noemen, zich gereed om heen te gaan, maar een onverwachte wenk van Vrij-Kogel hield hem terug.

„Wat is er?" vroeg de vreemdeling. • De jager hield den wijsvinger van zijn rechterhand voor zijn mond, ten teeken dat hij zwijgen moest; zich toen tot Ruperto wendende, die er al dien tyd onverschillig en stil bij had gestaan, fluisterde hij met een bijna onhoorbare stem :

„Grijp den coyote!"

Zonder te antwoorden sprong Ruperto, zoo vlug als een jaguar, de struiken in en verdween in het katoenboomenboschje, dat op korten afstand lag. Eenige oogenblikken later hoorden de beide mannen, die in gebogen houding maar zonder een woord te spreken stonden te luisteren, een krakend geruisch van ritselende bladeren en brekende takken, onmiddellijk gevolgd door het ploffen van een zwaar lichaam dat op den grond viel; verder hoorden zij niets meer.

Maar bijna oogenblikkelijk galmde hun de kreet van een nachtuil in de ooren.

„Dat is Ruperto die ons roept," zeide Vrij-Kogel, „alles is in orde." „Wat is er dan gebeurd ?" vroeg don Stefano ongerust. „Niets van belang," hernam de jager, hem een wenk gevendé'dat hij volgen zou. ,,'t Was slechts een spion, die u achter de broek zat; dat is al." „Een spion I"

„Por dios! gij zult het zien." „O wee I dat ziet er gek uit."

„Minder gek dan gij denkt, mits wij hem in handen kunnen krijgen."

„Ja, maar dan zullen wij hem immers moeten dooden ?"

„Wie weet ? dat hangt waarschijnlijk af van het verhoor, dat wij hem zullen laten ondergaan ; in allen geval zie ik er niet veel kwaad in om zulk ongedierte uit te roeien." Zoo sprekende, waren Vrij-Kogel en zijn metgezel het boschje reeds binnengedrongen.

Op den grond lag Domingo, aan handen en voeten gebonden^metjdereata (paardenkoppel) van Ruperto, en te vergeefs worstelende om de koorden te verbreken, die hem in het vleesch drongen. Ruperto stond met de

Sluiten