Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handen kruiselings op de tromp van zijn buks geleund, die met de kolf op den grond rustte, lachend en meesmuilend te luisteren, maar zonder een woord terug te zeggen, naar den stroom van scheldwoorden en vloeken, die de mesties in zijn woede uitbraakte.

„Dioa me amparef" (God beware mij) riep deze, terwjjl hij zich kronkelde als een adder. „Verdugo del demonio/" (duivelsche kerel) is dat een behandeling voor een fatsoenlijk mensch I Ben ik een Roodhuid, om mij dus te zien knevelen als een rol tabak, en mij de leden te laten binden als een kalf, dat naar den slachter moet? Als ik u ooit onder myn handen krijg, vervloekte hond, zal ik je die streek betaald zetten, die ge mij gespeeld hebt, reken daarop!"

„In plaats van te dreigen, mijn goede man," zei Vrij-Kogeltusschenbeide komende, „moest gij dunkt mij liever ronduit bekennen, dat gij in onze macht zijt en u daarnaar gedragen."

De bandiet wendde oogenblikkelijk het hoofd om, het eenigste lid dat hij nog vrij had, en keek den jager 'aan:

„Het staat u heel mooi om mij „goede man" te noemen en my xaad te geven, oude vanger van nmskus-rotten 1" riep hij brutaal: „zijt%j een blank mensch of een Indiaan, dat gij op deze wyze een jager behandelt ?"

»AJs gij, inplaats van hier te komen afluisteren wat u niet aangaat, waarde senor Domingo, zoo is uw naam immers als ik mij niet bedrieg, liever stilletjes in uw kamp waart blijven slapen, dan zou dit kleine ongeval, waarover gij u zoo beklaagt, u nooit overkomen zyn," zei don Stefano spotachtig.

„Ik moet de juistheid van uw redeneering toegeven," hernam de bandiet koddig: „maar wat duivel, kon ik het helpen? Het is altijd mijn zwak geweest om te willen uitvinden, wat anderen voor mij zochten te verbergen."

Don Stefano keek hem met verwonderden blik in de oogen.

„En hebt gij dat reeds lang gehad, mijn goede vriend ?" vroeg hy.

„Van mijn eerste jeugd af," antwoordde Domingo onbeschroomd.

„Nu, dan zult gij al vrij wat geheime zaken hebben leeren kennen ?"

„O, ontzaglijk veel, waarde heer."

Don Stefano wendde zich tot Vry-Kogel, en riep: „Zeg eens vriend, maak zijn banden een weinig los, zijn gezelschap kan ons misschien tot voordeel strekken, ik zou gaarne eenige oogenblikken hooren wat hij te vertellen heeft."

De jager bracht stilzwijgend de bekomen order ten uitvoer. De bandiet slaakte een zucht van verlichting, toen hy zich minder beklemd voelde, en ging op het gras overeind zitten.

„Cuerpo de Christo 1" riep hij op vroolijken toon, „thans is mijn positie ten minste om uit te houden, zoo kan ik nog praten."

„Niet waar ?"

„Te weerga ja 1 ik ben geheel tot uw dienst, mijnheer, voor alles wat gij verlangt."

„Dan zal ik van uw beleefdheid gebruik maken."

„Ga vrij uw gang, mijnheer, en maak er gebruik van; ik kan niet anders dan winnen door met u te praten." „Zoudt gij dat denken ?" „Ik ben er van overtuigd."

Sluiten