Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Baar kunt gij misschien wel gelijk in hebben ; zeg mij eens, hebt gij behalve uw edele nieuwsgierigheid, die gij zoo ronduit hebt durven bekennen, ook nog andere kleine gebreken ?"

De bandiet deed alsof hij drie minuten lang eerlijk in zyn geweten rondzocht, en antwoordde toen zoo bedaard mogelijk: „Op mijn woord van eer, senor, ik zie niets."

„Zyt gij daar zeker van ?"

„Hm 1 het kan gebeuren, maar toch, ik geloof van neen."

„Ha, gij ziet dat ge er niet geheel zeker van zijt."

„Eigenlijk gezegd, neen!" riep Domingo met geveinsde openhartigheid; „zooals gij weet, senor, de menschelijke natuur is zoo onvolmaakt."

Don Stefano knikte toestemmend. „Als ik u een beetje op weg hielp," zeide hij, „misschien zou ..."

„Zouden wij dan wel iets vinden, niet waar, mijnheer ?" viel Domingo hem met drift in de rede. „Welnu, help mij dan een beetje op weg, ik verlang niets liever dan dat."

„Zoo, bijvoorbeeld... maar let wel, ik bevestig niets, ik veronderstel het alleen, meer niet."

„Caraï! dat weet ik wel; ga uw gang, mijnheer, geneer u niet."

„Zoo vraag ik u, zoudt gij niet een zeker zwak hebben voor geld ?"

„Voor goud vooral."

„Dat wilde ik juist zeggen."

„Goud is ook zoo verleidelijk, mijnheer."

„Ik reken het u volstrekt niet aan als een misdaad, vriend, ik bepaal mij alleen, om er kennis van te nemen; buitendien is het zulk een algemeene trek ..." Il^^l

„Niet waar ?"

„Dat gij er natuurlijk mede behebt moet zyn."

„Zeer goed, mijnheer, ik beken dat gij het geraden hebt."

„Ziet gij nu, dat ik het wel wist ?"

„O I goud, eerlijk gewonnen."

„Dat spreekt van zelf; gesteld nu eens, dat men u, bijvoorbeeld duizend piasters bood, om het geheim te ontdekken van de palakyn van don Miguel Ortega ?"

„Te weerga 1" riep de bandiet, terwijl hij den vreemdeling scherp in de oogen keek, die hem van zijn kant even oplettend gadesloeg.

„En als er dan iemand was," vervolgde don Stefano, „die u bovendien, als onderpand van den koop, een ring ten geschenke gaf, zooals deze bijvoorbeeld ?"

Bij deze woorden liet hij den mesties een prachtigen diamant in de oogen schitteren.

„Dan nam ik het aan, te duivel, ja 1" riep Domingo op een toon van onmiskenbare begeerigheid, „al zou ik mijn hoop op het paradijs er voor in de waagschaal stellen, om achter dat geheim te komen."

Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel. „Maak den man los," zeide hy koeltjes, „wij verstaan elkander."

Zoodra de mesties zich vrij gevoelde, sprong hij op van vreugde.

„De ring 1" riep hij.

„Zie daar I" zei don Stefano, terwijl hij hem dien overhandigde; „is onze koop~nu gesloten?"

a

Aimaid, Spoorzoeker, 6» dr.

Sluiten