Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hetgeen hij zag. Al deze lieden schenen op den vriendschappelijksten voet met den jager, die van zijn kant noch door gebaar noch in zijn voorkomen de minste bekommering verried I

Om onzen lezers de zonderlinge verhouding, waarin al deze mannen tegenover elkander. waren geplaatst, goed te doen begrijpen, moeten wy eenige stappen in ons verhaal terugtreden. Bij den plotselingen aanval der Indianen hebben wij gezegd, dat Loer-Vogel stout op hen af was gegaan, een bisonsmantel zwaaiend, ten teeken van vrede. De Indianen waren hierop blijven staan, met de hoffelijke bescheidenheid, die zij in al hunne nationale gebruiken in acht nemen, ten einde de opheldering van den jager aan te hooren. Twee der opperhoofden waren hem zelfs te gemoet getreden, om hem beleefd te verzoeken zich nader te verklaren.

„Wat verlangt mijn broeder met het blanke gezicht ?" vroeg een der opperhoofden, hem groetende.

„Kent mijn roode broeder mij dan niet, en is het noodig, dat ik hem mijn naam noem, om hem te doen weten tot wien hij spreekt ?" antwoordde Loer-Vogel op gebelgden toon.

„Het is onnoodig; ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman der blanken is; myn ooren zijn geopend, ik wacht de verklaring af, die hij mij geven zal."

Loer-Vogel trok minachtend de schouders op.

„Zijn de Apachen dan laffe coyoten en plunderaars geworden," zeide hij, „dat zij zich aan benden verzamelen, om in de prairie op roof uit te gaan ? Waarom hebben ze mij aangevallen?"

„Mijn broeder weet het wel."

„Neen; dan zou ik het u niet vragen. De Antilope-Apachen hadden eens een groot krijgsman tot opperhoofd, de Roode- Wolf genaamd; dat opperhoofd was mijn vriend, met wien ik een verbond had gesloten; maar de RoodeWolf is zonder twijfel dood, en zijn scalp versiert waarschijnlijk de hut van een Comanch, daar dé jonge lieden van zijn stam in weerwil van het tusschen ons bezworen 'vredeverbond, mij zyn komen aanvallen gedurende mijn slaap."

Het opperhoofd richtte zich op in zijn volle lengte en fronste de wenkbrauwen.

„Het bleeke gezicht heeft, als al zijn landgenooten, een adderentong," zeide hij barsch, „een dikke huid bedekt zijn hart, en de woorden, die zijn borst üitblaast, zijn even trouweloos; de Roode-Wolf is niet dood, en zyn scalp versiert geenszins de hut van een Comanch; hij is nog altoos de eerste sachem der Antilope-Apachen, dat weet de jager zeer goed, daar hij op dit oogenblik tot hem spreekt."

„ik acht mij gelukkig, dat mijn broeder zijn naam heeft genoemd, want aan zijn manier van handelen zou ik hem niet hebben herkend."

„Ja, er ig onder ons een verrader," hervatte het opperhoofd norsch; „maar die verrader is een blanke, en geen Indiaan!"

„Dat mijn broeder zich nader verklare, ik begrijp hem niet, er is een mist voor mijn oogen, myn geest is beneveld : de woorden van het opperhoofd zullen die wolk ongetwijfeld doen verdwijnen."

„Dat wensch ik 1 Moge de jager mij met een eerlijke tong en zonder omwegen antwoorden, want zijn stem is een muziek, die mij langen tijd

Sluiten