Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoet in de ooren klonk en mijn hart verheugde; ik zal mij gelukkig rekenen, als zijn verklaring mij den vriend teruggeeft, dien ik meende verloren te hebben."

„Dat mijn broeder mij ondervrage! ik zal zijn vragen beantwoorden."

Op een gegeven teeken, hadden de Apachen weldra verscheidene vuren ontstoken en een kamp aangelegd. Ondanks al zijn slimheid, had zich in het hart van den Apachen-chef een heimelijke argwaan gevestigd; hij wilde echter den blanken jager, dien hij zeer vreesde, zooveel mogelijk toonen, dat hij vrijelijk handelde en volstrekt geen kwaad in den zin had. De Apachen, toen zij de goede verstandhouding zagen, die tusschen hun sachem en den jager scheen te heerschen, hadden zich gehaast om de bekomen orders uit te voeren. Elk spoor van strijd of vijandschap was in een oogenblik verdwenen, en het kleine grasveld had al het aanzien van een kampement van vreedzame jagers, die door een vriend werden bezocht.

Loer-Vogel moest in zijn binnenste lachen over het gelukken van zijn krijgslist, en over de behendige manier, waarop hij met weinige woorden aan de omstandigheden een geheel andere richting had weten te geven. Intusschen was hij niet volkomen gerust over de ophelderingen, die het opperhoofd hem vragen zou ; hij gevoelde zich als in een wespennest, waaruit hij, althans zonder een of ander gelukkig toeval, geen kans zag zich te redden.

De Roode-Wolf had den jager verzocht naast hem bij het vuur te komen zitten, een verzoek waaraan deze zich echter wel wachtte te voldoen, daar hij nog niet wist welken keer de zaken konden nemen, en hij zijn eenigste hoop op behoud niet wilde verzwakken, in geval de verklaring niet goed afliep.

„Is de blanke jager gereed om te antwoorden?" vroeg de Roode-Wolf. „Ik wacht op alles, wat mijn broeder mij zal gelieven te vragen I" „Goed 1 dat mijn broeder dan de ooren opene, voor hetgeen een opperhoofd spreekt." „Ik luister 1"

„De Roode-Wolf is een beroemd opperhoofd; zijn naam is gevreesd bij de Comanchen, die voor hem vluchten als schroomvallige vrouwen. Op zekeren dag aan de spits zijner jonge helden uitgetrokken, drong de RoodeWolf in een altepeÜ (dorp) der Comanchen; de Bison-Comanchen waren dien dag op de jacht in de prairiën, hunne krijgslieden en jongelingen waren afwezig; de Roode-Wolf verbrandde de hutten en voerde de vrouwen gevankelijk weg; is dit de waarheid?"

„Het is de waarheid I" antwoordde de jager zich buigende.

„Onder de vróuwen bevond zich er een, voor welke het opperhoofd der Apachen ïijn hart voelde kloppen; deze vrouw was de Cihuatl van den sachem der Bison-Comanchen. De Roode-Wolf voerde haar met zich naar zijn stam, en behandelde haar niet als een gevangene, maar als een welbeminde zuster. Wat deed de blanke jager?"

Hier hield het opperhoofd op en vestigde een doordringenden blik op Loer-Vogel; deze echter wendde zijn oogen niet af, en zeide: „Ik wacht tot mijn broeder nnj beschuldige, opdat ik moge weten wat hij mij ten laste legt."

De Roode-Wolf vervolgde met min of meer ontroerde stem:

Sluiten