Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De blanke jager, de vriendschap van het opperhoofd misbruikende, drong door in zijn altepetl, onder voorwendsel van zijn rooden broeder te bezoeken. Daar hij bij allen gekend en geliefd was, liep hij vrij in het dorp rond, doorsnuffelde alles, en toen hij de Wilde-Roos ontdekte, schaakte hij haar in een duisteren nacht en voerde haar weg als een lafhartige verrader!"

Bij dit verwijt greep de jager zijn buks met krampachtige hand ; maar bijna oogenblikkelijk zijn koelbloedigheid hernemende, zeide hij:

„Het opperhoofd is een groot krijgsman, hij spreekt goed, de woorden vloeien van zijn lippen in bekoorlijken overvloed; ongelukkig echter laat hij zich door zijn hartstocht meeslepen en verhaalt hij de dingen niet zooals zij werkelijk gebeurd zijn."

„Ooahf" riep het- opperhoofd, „is de Roode-Wolf dan een leugenaar, dan moet zijn bedriegelijke tong den honden worden toegeworpen."

„Ik beb de woorden van het opperhoofd met geduld aangehoord; thans is de beurt aan hem om de mijnen te hooren."

„Goed I dat mijn broeder spreke."

Op dit oogenblik hoorde men een zacht geblaas, als een bange zucht. De Indianen sloegen er geen acht op, maar de jager ontroerde er van, zyn helder en open oog schoot als een bliksemflits en een zegevierende glimlach plooide zich om zijn lippen.

„Ik zal kort zijn, zoo begon hij; ik ben werkelijk in het dorp van myn broeder gekomen, maar vrijmoedig en op een eerlijke wijze, om hem uit naam van Machsi-Karede, den grooten sachem der Bison-Comanchen, de vrouw terug te vragen, ' die de Roode-Wolf hem ontvoerd had; voor die vrouw bood ik een rijken losprijs bestaande in vier eruphas (geweren^ zes huiden van wijfjes bisons, en twee halsketenen van grauwe berenklauwen ; ik deed zulks met het oogmerk om een oorlog tusschen de Bisons-Comanchen en de Antilope-Apachen te verhoeden: mijn broeder de Roode-Wolf, in plaats van mijn vriendelijk aanbod aan te nemen, wees het verachtelijk van de hand ; ik heb hem toen gewaarschuwd, dat de vliegende-Arend, hetzij goedschiks of met geweld, de vrouw zou terug halen, die men verradelijk uit zijn dorp had ontvoerd terwijl hij afwezig was; daarop ben ik weder vertrokken. Welk verwijt kan mijn broeder mij deswege toevoegen ? In welken zin of in welk opzicht heb ik mij jegens hem misdragen ? De Vliegende Arend heeft zijn vrouw teruggehaald: daar heeft hij wel aan gedaan, want hij was in zijn goed recht; de Roode-Wolf kan hier niets op aanmerken, daar hy in gelijke omstandigheden hetzelfde zou gedaan hebben. Ik heb gezegd 1 Dat mijn broeder nu antwoorde, als zijn hart getuigt dat ik kwalijk gehandeld heb."

„Goed I" antwoordde het opperhoofd : „mijn broeder is met de Wilde-Roos hier geweest, eenige minuten geleden; hij zegge mij waar zij zich verschuilt, dan zal de Roode-Wolf haar zelf terugnemen, en dan zullen er tusschen den Roode-Wolf en zijn vriend geen wolken meer zijn." ; „Het opperhoofd moet deze vrouw vergeten, die hem niet bemint en die zyn vrouw niet zijn kan; dit is des te meer raadzaam, daar de Vliegende Arend haar nimmer aan hem zal willen afstaan."

„De Roode-Wolf heeft krijgslieden om zijn woorden te handhaven," zeide de Indiaan trotsch; „de Vliegende-Arend is slechts alleen, hoe zal hij zich tegen den wil van den sachem kunnen verzetten ?"

Sluiten