Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een raadsel, dat de eerlijke jager niet kon oplossen en hem geheel in verwarring bracht.

Ondanks het daaraan verbonden gevaar besloot hij om zijn vriend van zijn tegenwoordigheid te verwittigen, door een signaal dat tusschen hen sedert lang was afgesproken, om hem te waarschuwen, dat er in geval van nood, een vriend voor hem waakte. Dit was het zuchtend gefluit geweest dat, gelijk wij straks gezien hebben, den benarden jager van vreugde had doen sidderen. Maar het signaal had nog iets anders ten gevolge, hetwelk Vrij-Kogel wel verre was van te verwachten; de takken van den boom waartegen hij geleund stond, werden schier onmerkbaar uiteengeschoven, en een man die er met beide armen aanhing, viel op eens, geen twee passen van hem verwijderd op den grond, maar zoo zacht en stil, dat de schok niet het minste gedruis maakte.

Op het eerste oogenblik reeds had Vrij-Kogel den man, die als uit de lucht scheen te vallen, herkend; en hij had het enkel aan zijn volkomen zelfbeheersching te danken, dat hij de verwondering, welke deze onverwachte verschijning hem baarde, niet met een schreeuw te kennen gaf. De jager zette zijn buks met de kolf op den grond, en zei met gedempten stem terwijl hij de Indiaan met een glimlach groette:

„Nul hoofdman dat noem ik een zonderling idee, om zoo laat in den in den nacht op de boomen te wandelen."

„De Vliegende-Arend bespiedt de Apachen," antwoordde de Indiaan fluisterend ;„ had myn broeder niet gedacht mij te zien ?"

„In de prairie moet men op alles bedacht zijn, hoofdman; ik wil u wel zeggen dat weinig ontmoetingen mij zoo aangenaam geweest zijn als de uwe, vooral in deze oogenblikken."

„Is mijn broeder ook op het spoor der Antilope-Apachen ?"

„Ik zweer u op mijn woord, hoofdman, dat ik nauwelijks een uur geleden niet wiet dat ik zoo dicht bij hen was; als ik u niet had hooren schieten, lag ik waarschijnlijk op dit oogenblik gerust te slapen in mijn kampement."

„Ja, mijn broeder heeft zeker de buks van een vriend hooren knallen en is daarom hier gekomen."

„Juist geraden, hoofdman. Maar verklaar u intusschen nader, en zeg mij wat hier te doen is, want ik weet waarlijk van niets."

„Heeft mijn blanke broeder dan den Roode-Wolf niet gehoord V'

„Woord voor woord, hoofdman ; is er anders niets ?"

„Niets; de Vliegende-Arend heeft zijn vrouw weggevoerd, de Apachen hebben hem als lafhartige coyotes vervolgd, en dezen nacht overrompeld bij zyn vuur."

„Voortreffelijk I is de Wilde-Roos in veiligheid ?"

„De Wilde-Roos is een dochter der Comanchen; zij kent geen vrees."

„Dat weet ik, het is een goed schepsel; doch daarover zullen wij thans niet spreken; wat denkt gij te doen ?"

„Het gunstig oogenblik afwachten, mijn aanvalskreet aanheffen en deze honden overrompelen."

„Hm! • Uw plan is een weinig voorbarig; met uw verlof zal ik er iets aan veranderen."

„De wijsheid spreekt uit den mond van den blanken , jager; de VliegendeArend is nog jong; hij zal hem gehoorzamen."

Sluiten