Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ooah I wie zou den Roode-Wolf durven ontvangen zonder hem de verschuldigde achting te bewijzen ? hernam de Apache hoogmoedig. „Niemand, voorzeker."

De Roode-Wolf wendde zich ongemerkt naar een operhoofd van minderen' rang en fluisterde hem eenige woorden in 't oor; deze stond op en verliet het kamp. De jagers zagen deze manoeuvre niet zonder ongerustheid en wisselden een blik die zooveel te kennen gaf als: Laten wij op onze hoede zijn I Ongedwongen deden zij thans eenige stappen achterwaarts en sloten zich dichter aan elkander om bij het minste teeken van onraad gereed te zijn > zij kenden de trouweloosheid der lieden met welke zij te doen hadden en waren van hun kant op alles verdacht. De Indiaan dien het opperhoofd had weggezonden, kwam spoedig terug; hij was nauwelijks tien minuten weg geweest.

„Wel ?" vroeg hem de Roode-Wolf.

„Nilijti — het is waar —" antwoordde de Indiaan lakonisch.

Het gelaat van den Sachem betrok merkbaar. Hij hield zich thans overtuigd dat Vrij-Kogel hem niet bedrogen had; want de man. door hem buiten het kamp gezonden, was belast geweest om zich te vergewissen of er werkelijk op korten afstand wachtvuren der blanken in 't gezicht waren; het antwoord van zijn veldontdekker bewees, dat het hoogst ongeraden zou zijn den schelm te spelen, en dat hij moest volhouden met de beste gezindheden te veinzen, om op een geschikte wijze van zijn lastige gasten af te komen, die hij anders op een gansch andere manier zou hebben behandeld.

Op zijn bevel werden nu de paarden ontkoppeld en toe/i stegen zijn ruiters in den zadel.

„De dag is nabij," zeide hij; „de maan is in den grooten berg weggezonken ; ik ga met mijn jongelieden op marsch; moge de Wakondah my'n blanke broeders beschermen 1"

„Ik dank u, hoofdman," antwoordde Loer-Vogel; „maar gaat gij dan niet met ons mede ?"

„Wij moeten den anderen kant uit," antwoordde de Sachem droogjes, terwijl hy zijn paard den teugel vierde en wegreed.

„Dat laat zich begrijpen, verwenschte hond," bromde Vrij-Kogel tusschen de tanden.

De gansche bende vertrok met den meesten spoed en verdween in de duisternis; weldra werd het gedruisch van hun draf minder hoorbaar, en smolt in de verte samen met die duizend geheimzinnige geluiden zonder blijkbare oorzaak, die de statige stilte der woestijn onophoudelijk verstoren.

De jagers waren alleen gebleven. Evenals de wichelaars van het oude Rome, die elkander niet zonder lachen konden aanzien, weerhielden zij zich nauwelijks om in een schaterend gelach los te barsten over het haastig vertrek der Apachen, die zij zoo fijn hadden beet genomen. Op een sein van Loer-Vogel, voegden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zich bij hunne vrienden, die reeds weder onbekommerd bij het vuur zaten, vanwaar zij hunne vijanden zoo behendig hadden weten te verdrijven.

„Hm I" meesmuilde Vrij-Kogel terwyl hij zijn pijp stopte, „over die grap zal ik lang moeten lachen, zij is bijna zoo fijn als die ik de Pawnies speelde, in 1827, in Opper-Arkansas; ik was toen nog jong en had nauwelijks eenige jaren in de prairiën rondgezworven, en ik was nog niet zoo goed als thans,

Sluiten