Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met al de streken der Indianen bekend ; maar ik herinner mij wel. . ."

„Maar zeg mij toch door welk toeval ik u hier ontmoet heb, Vrij-Kogel ?" vroeg zijn vriend, hem haastig in de rede vallende.

Loer-Vogel wist maar al te goed, wanneer Vrij-Kogel iets begon te vertellen, er dan niet veel kans bestond om hem in zijn verhaal te stuiten; de eenzame jager had in den loop van zijn lang en avontuurlijk leven, zoo vele buitengewone dingen gezien en ondervonden, dat hem bijna niets overkomen kon, of hij herinnerde zich terstond een of ander geval uit zijn vroegere loopbaan, dat hem aanleiding gaf tot eindlooze verhalen; zijn vrienden bekend met dit zwak, ontzagen zich nooit om hem in de rede te vallen en zoodoende aan zijn wijdloopige vertelzucht te ontsnappen; evenwel moeten wij tot eer van Vrij-Kogel zeggen, dat hij deze stoornis niet kwalijk nam ; met dien verstande echter, dat hij geen tien minuten daarna den draad van zijn verhaal weder opvatte of een ander begon, zoodat zijn vrienden hem op nieuw moesten storen, maar zonder hem ooit boos te kunnen maken.

Op de plotselinge vraag van Loer-Vogel antwoordde hij : „Dat zult gij dadelijk vernemen, ik zal het u vertellen." Daarop zich tot Domingo wendende, zeide hij : „Ik zeg u dank voor de hulp die gij ons bewezen hebt; ga naar uw kamp terug en denk om uw belofte, maar verzuim vooral niet om van hetgeen gij gezien hebt verslag te geven aan, gij weet wel wie."

„Dat,is afgesproken, oude klemmenzetter. Wees maar gerust. Vaarwel!" „Goed fortuin I"

Domingo wierp zijn buks over den schouder, stak zijn pijp aan, en keerde met haastigen tred naar het kamp terug, dat trouwens niet veraf lag en waar hij een uur later binnen kwam.

„Zie zoo," zei Loer-Vogel, „nu geloof ik dat u niets meer belet op mijn vraag te antwoorden."

„Ja toch, vriend, één ding nog."

„En dat is?"

„Zooals gij ziet, is de nacht voorbij, hij is voor ons allen zwaar genoeg geweest, zoodat ik meen dat twee of drie uurtjes slaap zoo niet onmisbaar dan toch hoog noodig zullen zijn; daarbij, wij hebben volstrekt geen haast."

„Geef mij antwoord op één vraag, en ik laat u slapen zoolang gij wilt."

„En wat zal die vraag zijn ?"

„Hoe kwaamt ge hier toch zoo prompt op het terrein om ons te helpen ?"

„Te duivel! dat is juist wat ik gevreesd had; uw vraag verplicht mij om in bijzonderheden te treden, die veel te omslachtig zijn om u op dit oogenblik te kunnen voldoen.''

.„Ik moet u zeggen, vriend, hoe hartelijk ik ook verlangen zou om eenige dagen bij u te vertoeven, ben ik genoodzaakt om ü reeds met zonsopgang te verlaten."

„Komaan, dat is immers onmogelijk ?"

„Met uw verlof, ja; ik moet!"

„Maar wat dringt u dan zoo ?".

„Ik heb mij verbonden als gids bij een karavaan, die ik morgen om twee uren in den namiddag zal ontmoeten aan het veer del Rubio; die ontmoeting is reeds voor meer dan twee maanden afgesproken. En gij weet, voor

Sluiten