Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Thans raad ik u om even in uw geheugen te grabbelen, oude duivel," hervatte hij, „of mijn navaja zal u leeren wat het zegt, als gij met mij te doen hebt en uwe zaken vergeet."

De evangelista glimlachte vergenoegd, terwijl hij een begeerigen blik op de verleidelijke goudstukken wierp.

„Ik weet te goed wat ik u schuldig ben, don Annibal," antwoordde hij, „om u niet te willen dienen met al de middelen waarover ik te beschikken heb."

„Zemel toch niet langer met uw schijnheilige beleefdheid, oude aap, en kom ter zake. Neem dit al vast, om u aan te moedigen oprecht te zyn."

Hier stelde hij hem eenige onzen goud ter hand, die de evangelista zoo gezwind deed verdwijnen, dat de soldaat onmogelijk had kunnen zeggen waar ze gebleven waren.

„Gij zijt edelmoedig, don Annibal, dat zal u geluk geven."

„Ter zake, ter zake."

„Ik ben er reeds." ' *

„Spreek op dan; ik luister."

De sergeant plaatste de ellebogen op de tafel in de houding van iemand die zich gereed maakt om een belangrijk verhaal aan te hooren, terwijl de evangelista hoestte, spuwde, en met zekere hem eigen geworden omzichtigheid, nog eerst een onrustigen blik in het rond sloeg.

Het woelig gedruisch op de Plazza Major was langzamerhand weggestorven, de menigte had zich in alle richtingen verstrooid en was in de huizen teruggekeerd ; zoowel buiten als binnen heerschte de diepste stilte. Op dit oogenblik bromde het uurwerk der kathedraalkerk langzaam en statig elf slagen ; de beide mannen sidderden onwillekeurig bij het sombere gegalm der kerkklok; de serenos (nachtwachts) zongen het uur met hunne slepende dronkemans-stemmen; dit was alles.

„Wilt gij 'spreken, ja of neen ?" riep de soldaat plotseling barsch en op dreigenden toon.

De evangelista viel bijna van zijn stoel, en alsof hij uit een droom werd gewekt, streek hij eenige keeren met de hand over het voorhoofd. „Ik begin al," zeide hij met bevende stem. „Dat zou gelukkig wezen," bromde de andere.

„Gij moet dan weten," begon hij ,maar," vervolgde hij, op eens

weder afbrekende, „moet ik u alles tot in de kleinste bijzonderheden vertellen ?"

„Duivels 1" riep de soldaat, kwaad wordende, „maak toch wat voort, ge weet wel dat ik de volledigste berichten hebben moet. €anario$ 1 speel met mij niet als de kat met de muis, oude vrek, wees gewaarschuwd, het zou gevaarlijk spel voor u zijn."

De evangelista boog, als begreep hij waar het heen moest, en begon op nieuw:

„Dezen morgen dan, zat ik nauwelijks in mijn kantoor, nadat ik myn papieren geschikt ën mijn pennen vermaakt had, of er werd zacht aan de deur geklopt: ik stond op om open te doen; het was, in zoo verre als ik er over kon oordeelen een jonge en schoone vrouw; zij had zich echter zoo dicht in haar zwarten mantel gewikkeld, dat zij niet kenbaar was."

„Het' was dus niet dezelfde vrouw die u reeds een maand lang dagelijks bezoekt?" viel de sergeant hem in de rede.

Sluiten