Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja wel, maar zooals gij reeds zult hebben opgemerkt, komt zij bij elk bezoek in een ander kleeding, zonder twijfel om zich daardoor onkenbaar te maken; in weerwil echter van hare voorzorgen, heb ik haar telkens bij den eersten blik uit hare donkere oogen herkend, daar ik te zeer aan de listen der vrouwen gewoon ben om er mij door te laten misleiden.

„Zeer goed; ga voort."

„Zij bleef een poosje zwijgend voor mij staan, en speelde verlegen met haar waaier; ik bood haar beleefd een stoel aan en hield mij alsof ik haar niet herkende, terwijl ik haar vroeg, waarmede ik haar van dienst kon zyn _ „O |" antwoordde zij mij op vrijpostigen toon, „wat ik van ü verlang is zeer eenvoudig." — „Spreek slechts, senorita," zeide ik, „zoo het iets is dat mijn ministerie aangaat, wees dan verzekerd dat ik het mij als plicht zal rekenen u te gehoorzamen." — „Als het dat niet was zou ik niet bij u gekomen zijn," was haar antwoord: „maar zijt gij wel iemand op wien men vertrouwen kan ?" Terwijl zij dit zeide, keek zij mij met hare groote zwarte oogen, doordringend en uitvorschend aan. Ik hield mij goed en antwoordde haar met de meeste ernst en met de hand op het hart: — Senorita, een evangelista is zoo goed als een biechtvader, al uwe geheimen worden in mijn hart begraven." Hierop haalde zij een geschrift uit den Zak van hare saya (overkleed), keerde het verscheidene malen tusschen hare vingers om, maar eenklaps begon zij te lachen, en riep: „Wat ben ik toch dwaas, dat ik een geheim zoek te maken van niets; voor het overige zijt gij pp dit oogenblik niets meer dan een machine, daar gij zelf niet begrijpen zult wat gij schrijft." Ik boog op goed geluk af, en hield mij weder gereed voor een van die duivelsche kunstgrepen, die zij mij sedert een maand lang dagelijks heeft laten afschrijven."

„Houd toch op met uwe beschouwingen 1" viel de sergeant hem in de rede.

„Zij overhandigde mij het document," vervolgde de evangelista; „en, zooals tusschen u en mij is afgesproken, nam ik een vel copiëerpapier en legde er het schoone blad op, dat ik beschrijven zou; zooals gij weet, is het copiëerpapier van achteren zwart gemaakt, zoodat de woorden die ik op mijn gewone papier schreef, door middel van het zwart gemaakte, letterlijk werden overgedrukt op een derde vel wit papier, dat er onder lag, zonder dat de arme nina (kind) er iets van bemerkte en zij niet beter wist of alles ging zuiver toe. Behalve dat was de brief niet lang, en bestond slechts uit een paar regels; maar ik mag verdoemd zijn," vervolgde de oude gauwdief, terwijl hij een kruis sloeg, „als ik een syllabe begreep van het duivelsche tooverschrift dat zij mij copieeren liet; ik geloof zeker dat het Arabisch was."

„Wat verder ?"

„Verder heb ik het papier in den vorm van een brief toegemaakt, en er een adres opgeschreven."

„Ah 1" riep de soldaat met levendige belangstelling, „dat is voor het eerst.

„Ja, maar met die wetenschap zult gij niet veel verder komen."

„Waarom niet? laat zien, wat wafc het adres?"

„Z. p. V. 2 Calle S. P. Z." |

„Hm!" riep de soldaat peinzend, „dat is zeker alles behalve duidelijk; maar vervolgens?"

„Vervolgens is zij vertrokken, nadat zij mij een ons goud had gegeven.

„Zij is wel mild."

Sluiten