Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aannemen, en u niet verroeren buiten mijn orders. Houdt u vooral stil en maakt geen leven of twist; hebt gij mij begrepen ?"

,Ja, Senor," antwoordden de bandieten eenstemmig.

„Zeer goed ; vertrekt dan en zorgt dat gij binnen een kwartier bij het klooster zijt."

De bandieten verstrooiden zich in alle richtingen, met de snelheid van een troep roofvogels die op buit uitvliegen; twee minuten later waren allen, links of rechts, aan de hoeken der naast bijliggende straten verdwenen.

Pepito was alleen overgebleven.

„En ik nu, Senor?" vroeg hij eerbiedig aan don Torribo, „zoudt gij niet goed vinden dat ik u vergezel? Ik zou mij zeer vervelen als ik hier alleen achterbleef."

„Ik zou niets beter verlangen dan u mede te nemen, Pepito, maar wie zal onze paarden gereed maken, als gij met mij gaat ?" „Dat 's waar, daar dacht ik niet aan."

„Maar maak je niet ongerust, mannetje ; als mijne onderneming mag slagen, waaraan ik niet twijfel, zult gij spoedig bij mij komen."

Door deze belofte gerust gesteld, groette Pepito eerbiedig den geheimzinnigen man, die zijn chef scheen te zijn, en ging weder in huis, terwijl hij de deur zorgvuldig achter zich sloot.

Don Torribio, thans alleen gebleven, stond eenige oogenblikken in diepe gedachten; eindelijk hief hij het hoofd op, trok zich den hoed in de oogen, wikkelde zich dicht in zijn mantel en verwijderde zich met snelle schreden, zacht in zich zeiven prevelende:

„Zou ik slagen ?"

Deze vraag kon niemand, zoo min als hij zelf, beantwoorden.

Het Bernardijnen-klooster ligt in een der schoonste wijken van Mexico, niet ver van de Paseo de Bucarelli, de wandeldreef der beau monde. Het is een uitgestrekt gebouw, geheel van gehouwen steen opgetrokken; het dagteekent van de herbouwing der stad na de verovering door de Spanjaarden, en is door Fernando Cortez zelf gegrondvest. Het geheel maakt een statige en indrukwekkende indruk, als alle Spaansche kloosters. Op zich zelf is het, om zoo te zeggen, een kleine stad in de groote, daar het alles bezit wat noodig is om het leven gemakkelijk en aangenaam te maken: eene kerk, een ziekenzaal, een waschhuis, een groote spijskamer en keuken, een uitgestrekten moestuin, boomgaard een wel aangelegde serre met prachtig geboomte bezet, tot geschikte wandeling voor de nonnen ; bovendien ruime kloostergewelven, met groote schilderyen van goede meesters behangen en tooneelen voorstellende uit het leven der heilige Maagd en van Sint Bernard den patroon van het klooster; deze gewelven met open galerijen omgeven, in welke de cellen der kloosterzusters uitkomen, omsluiten ruime binnenplaatsen, met zand bestrooid en met fonteinen en waterbekkens versierd, wier springende stralen onder liefelijk geklater de lucht verfrisschen en zelfs op het heetst van den dag koel houden. De cellen zijn bekoorlijke optrekjes, waar niets aan ontbreekt wat tot levensgemak dienen kan : een kleine slaapstee, twee stoelen met Spaansch leder bekleed, een bidbankje en een toilettafel in welker lade zicb een spiegel bevindt; eenige schilderyen van heiligen hangen op de geschiktste plaats aan den wand. In een hoek van het kamertje ziet men, tusschen een gitaar en een tuchtroede, een beeltenis

Sluiten