Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke de kroon der kloostervoogd^ prijkte en welks goudlederen zitting met een dubbele franje van zijde en goud geboord was.

De abdis was een kleine, zwaarlijvige vrouw van omtrent zestig jaar; haar gelaatstrekken zouden onbeduidend hebben geschenen, zonder dien helderen doordringenden blik, die als een stroom gloeiende lava uit hare grijze oogen schoot, zoo vaak zij door eene hevig drift bewogen werd. Zy had een opengeslagen boek in de banden en scheen in diepe aandacht verzonken.

De deur van haar cel werd zachtjes geopend; een jong meisje, in de kleeding der nieuwelingen, naderde schroomvallig en scheen den ingelegden vloer nauwelijks met haar lichten bedeesden voet te durven aanraken.

Dit jonge meisje bleef op eenigen afstand van den stoel, waarop de abdis zat, verlegen staan, en wachtte zwijgend tot deze het oog op haar zou gelieven te richten.

,Ah 1 zijt gij daar, myn kind," zeide de kloostervoogdes eindelijk, toen zy de tegenwoordigheid der proefhon opmerkte; „kom nader." De nieuweling trad nog een paar stappen vooruit.

„Waarom zijt gij heden morgen uitgegaan, zonder mij eerst verlof te vragen ?"

Op het hooren van deze vraag, ofschoon zij die zeer natuurlijk verwachten moest, geraakte het jonge meisje in verwarring, werd doodsbleek en stotterde eenige onverstaanbare woorden.

De abdis hervatte op strengen toon:

„Pas op, meisje'; al zijt gy slechts novice en al zult gij den nonnensluier eerst over twee maanden aantrekken, onthoud wel dat gy, even als de andere nonnen, van mij alleen afhangt, en van niemand anders."

Deze woorden werden uitgesproken op een toon en met een nadruk die het jonge meisje deden sidderen.

„Heilige moeder!" prevelde zy zacht.

„Gij waart de vertrouwde vriendin, ja bijna de zuster van het dwaze kind, dat zich voor onzen oppermachtigen wil heeft moet buigen als een riet, en dat dezen morgen gestorven is."

„Gelooft gij dan stellig dat zij dood is, moeder?" snikte de nieuwelinge bedeesd.

„Wie twijfelt daaraan ?" vroeg de abdis driftig, terwyl zij half van haar stoel opsprong en het arme meisje fixeerde als met den blik eener slang.

,Niemand! mevrouw, niemand 1" gilde het meisje, van schrik terugdeizende.

„Hebt gij niet even goed als de andere kloosterlingen hare uitvaart bygewoond ?" vervolgde de abdis met vreeselyken nadruk. „Hebt gij de gebeden dan niet gehoord die over haar kist werden uitgesproken ?"

„Dat heb ik, moeder 1"

„Hebt gij haar lijk niet in den grafkelder van het convent zien nederdalen, en den steen boven haar graf zien verzegelen, dien alleen de engel des gerichls er zal aflichten op den dag des oordeels? Zeg, hebt gy deze treurige en ontzagwekkende plechtigheid dan niet bijgewoond ? Hoe kunt gij nu nog durven bewerven dat dit alles slechts bedrog is en dat zy nog leeft, dat arm ellendig schepsel, dat door God en zijn toorn plotseling geslagen werd, om haar ten voorbeeld te stellen voor allen die de Satan tot muiterij aanspoort ?"

Sluiten