Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vervolg dus: die nieuweling, nauwelijks zestien jaar oud, heette dona Laura de Azevedo Real del Monte ; zij behoorde tot een der aanzienlijkste geslachten in Mexico; heden morgen heeft hare uitvaart plaats gehad met al de gebruikelijke plechtigheden in de kapel van dit klooster; vervolgens is haar lijk onder groote praalvertooning, in de voor de lijken der nonnen bestemde grafkelders nedergelaten."

Hier hield hij op en richtte van onder zyn masker een doorborenden blik op de abdis.

„Ik herhaal nog eens dat ik niet weet wat gij zeggen wilt," antwoordde zij kalm.

„Zoo 1 zeer goed; hoor dan ook dit, Senora, en doe er uw voordeel mede, want ik zweer u, gij hebt met mannen te doen die u geen genade zullen bewijzen, en die zich noch door uwe tranen, noch door angstkreten zullen laten bewegen, zoo gij hen noodzaakt tot uitersten over te gaan."

„Gij kunt doen wat gij goedvindt," hernam de kloostervoogdes altoos even onverstoorbaar; „ik ben in uwe handen, ik weet dat ik voor het oogenblik van niemand eenige hulp te wachten heb, de hemel zal mij derhalve kracht verleenen om den marteldood te ondergaan."

„Mevrouw," hervatte don Torribio meesmuilend, „wat gij daar zegt is Godslastering, het is een doodzonde, die gij willens en wetens begaat; maar dat gaat my niet aan, dat is uw zaak ; de mijne daarentegen is deze ; gij zult mij oogenblikkelyk den ingang der grafkelders aanwijzen en de plaats waar dona Laura de Azevedo rust; ik heb gezworen dat ik haar lijk van hier zou vervoeren tot iederen prijs, ik zal mijn eed houden, wat er ook gebeure. Zoo gij bewilligt in mijn verzoek, dan zullen mijne gezellen en ik ons vergenoegen met het lijk der arme overledene, en ons verwijderen, zonder een speld aan te raken van de onmetelijke rijkdommen die dit klooster bevat."

„En zoo ik weiger ?" vroeg zij hooghartig.

„Zoo gij weigert," hernam hij, met bijzonderen nadruk op ieder woord, als om het haar des te beter te doen verstaan; „zoo gij weigert dan zal het klooster geplunderd, al deze witte duifjes zullen aan den duivel worden opgeofferd en gij, — gij," vervolgde hij met een grijns die allen deed huiveren, „gij zult aan een foltering onderworpen worden, die u, ik twijfel er niet aan, de tong wel losser zal maken."

De abdis glimlachte met minachting.

„Begin maar met my," zeide zij.

„Dat zal ik ook doen," was het antwoord. „Kom," vervolgde hij met een ruwe stem tegen zijn gezellen, „terstond de handen aan 't werk.

Twee mannen traden vooruit om de abdis aan te grijpen ; deze toonde niet de minste neiging om weerstand te bieden, zij bleef onbewegelijk en schijnbaar onverschillig staan, ofschoon een onwillekeurige nauwelijks merkbare samentrekking der wenkbrauwen hare innerlijke ontroering bewees.

„Hebt gij uw laatste woord gezegd, Senora ?" vroeg don Torribio.

„Doet uw werk, beulen," antwoordde zij met verachting, „beproeft of gij • den wil van een oude vrouw kunt buigen."

„Dat zullen wij zien. Welaan, begint!" klonk zijn bevel.

De twee bandieten maakten zich gereed om hun kommandant te gehoorzamen.

Sluiten