Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Houdt op, in 's Hemels naam 1" riep thans een jong meisje, terwijl zij zich onverschrokken voor de abdis stelde en de bandieten terugstiet.

Dit meisje was niemand anders dan de nieuweling, met welke de abdis gesproken had, op het oogenblik toen het klooster overrompeld werd.

Ér volgde een tweede aarzeling.

„Zwijg, ik beveel het u," riep de abdis; „laat mij mijn lot ondergaan. God ziet ons."

„Het is juist omdat God ons ziet, dat ik spreken wil," antwoordde het meisje met nadruk. Hij is het die deze mij onbekende mannen herwaarts heeft gezonden, om een groote misdaad te beletten. Volgt mij, caballeros, gij hebt geen oogenblik te verliezen, ik zal u de grafkelders wijzen."

„Ongelukkige 1" riep de abdis, terwijl zij zich met geweld aan de handen der bandieten poogde te ontrukken, „ongelukkige, op u zal zich al mijn toorn vereenigen." r ,

„Dat weet ik," antwoordde de nieuweling treurig, „maar geen gedachte aan zelfbehoud zal mij beletten om een heiligen plicht te vervullen."

„Stopt die oude feeks een prop in den mond, en maakt er een einde aan t" riep de commandant. Zijn bevel werd uitgevoerd. Ondanks den wanhopigen weerstand der abdis, was zij binnen weinige minuten tot zwijgen gebracht.

„Een van u blyft haar bewaken," vervolgde don Torribio, en by de minste verdachte beweging jaagt gij haar een kogel door het hoofd."

Nu van toon veranderende, wendde hij zich tot de nieuwelinge. — „Ik zeg u duizendmaal dank, Senorita," zeide hij met een bewogen Stem, „voleindig wat gij zoo goed begonnen zijt, en geleid ons naar die afschuwelijke 'grafkelders."

„Komt, caballeros I" antwoordde zij, zich aan hun hoofd stellende.

De bandieten op eens zoo gedwee als lammeren geworden, volgden haar stilzwijgend en met alle teekenen van den diepsten eerbied.

Op nadrukkelijk bevel van don Torribio, hadden de overige nonnen, tamelijk gerust over den afloop der omstandigheden, zich reeds verspreid en waren zy naar hare cellen teruggekeerd.

Terwyl de bandieten de gangen doortrokken, naderde don Torribio het jonge meisje en fluisterde haar een paar woorden in, die haar deden sidderen.

„Vreest niet," voegde hij er bij, „ik heb alleen willen bewijzen dat ik alles wist, Senorita; ik wil niets anders voor u zijn dan uw goede vriend, die u eerbiedigt en zich aan u getrouw zal toonen."

Het jonge meisje zuchtte zonder te antwoorden.

„Wat zal er voortaan van u worden in dit klooster," vervolgde hy ; „alleen en zonder beschermer en ten prooi aan den haat van deze furie, die niets op de wereld ontziet of heilig acht, zult gij immers weldra de plaats moeten innemen van haar die wij thans gaan verlossen ; zou het dus ' niet beter zijn haar te volgen ?"

„Helaas, arme Laura 1" zuchtte zij nauwelijks hoorbaar.

„Zoudt gij, die tot hiertoe zoo veel voor haar gedaan hebt, haar in dit oogenblik willen verlaten, nu zij meer dan ooit misschien uwe hulp en troost zal noodig hebben ? Zijt gij niet hare pleegzuster, hare trouwste vriendin ? Wat verhindert u ? Wie zou het u beletten ? Gij zijt wees van uwe eerste kindsheid, af, al uwe liefde heeft zich op Laura samengetrokken, antwoord mij, dona Luisa, ik bezweer het u."

Sluiten