Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingesloten, en welks kruin, hoe weinig verheven ook, den horizon rechtlijnig sneed en hun het uitzicht belette.

Na een korte woordenwisseling, bleven twee van de vijf personen op de plek achter, terwijl de andere drie zich plat op den buik legden om op handen en voeten den heuvel te beklouteren, die vrij steil en met zeer hoog gras bekleed was, dat door hen wel in golvende beweging werd gebracht, maar hun lichaam geheel verborg.

Toen zij na een vermoeiende beklimming den top des heuvels bereikten, verloor hun blik zich in de onafzienbare ruimte en deinsden zij terug van verrassing en bewondering.

De kruin van den berg waarop zij zich thans bevonden was bijna loodrecht, en ook de hellingen zoowel aan de rechter- als linkerzijde waren bijzonder steil. Voor hen uit, bijna honderd voeten beneden hen, strekte zich een heerlijke vlakte uit, en te midden dier vlakte, namelijk op duizend meters afstand, verhief zich statig en indrukwekkend de geheimzinnige stad Quiepa-Tani *), met haar sterke torens en dikke muren. De aanblik dezer groote stad, te midden der eenzame wildernis, wekte in het gemoed dér drie mannen een gevoel, waarvan zij zich geen rekenschap konden geven en die hen gedurende eenige minuten in stomme verbazing deed wegzinken.

Eindelijk richtte een van hen zich op de knieën en ellebogen op, en wendde zich tot zijn kameraden:

„Welnu I zijn mijn broeders over mij voldaan ?" vroeg hij met een krakende keelstem, die hem, ofschoon hij Spaansch sprak, terstond als een Indiaan deed kennen; „heeft Addick (het Hert) zijn woord gehouden ?"

„Addick is een der eerste krijgslieden van zijn stam, zijn tong is recht, en zijn bloed stroomt helder in zijne aderen," antwoordde een der beide mannen die hij had toegesproken.

De Indiaan meesmuilde in stilte, maar antwoordde niet. Zijn glimlach zou zijn twee tochtgenooten ruime stof tot denken hebben gegeven, zoo het niet te donker ware geweest om hem te zien.

„Mij dunkt dat het thans te laat is om deze stad binnen te treden," merkte een der mannen aan, die tot hiertoe nog niet gesproken had.

„Morgen, zoodra de zon opkomt, zal Addick de beide Leliën naar QuiepaTani geleiden," antwoordde de Indiaan ; „het is van avond reeds te donker."

„De krijgsman heeft gelijk," hervatte de tweede spreker, „wij moeten onzen tocht tot morgen uitstellen."

„Welaan I keeren wij dan naar ons gezelschap terug; zy zullen wel ongerust zijn dat wij zoo lang wegblijven."

Terstond van woorden tot daden overgaande, keerde de spreker zich om, plaatste zich met den rug tegen de steilte en liet zich langs hetzelfde spoor, dat hij bij de opklimming in het hooge gras had achtergelaten, van den heuvel afglijden. Zijn voorbeeld werd door zijne kameraden gevolgd en zoo kwamen zij alle drie weldra aan den ingang van het bosch, waar zij de twee anderen dachten te vinden, die straks beneden waren gebleven. Deze hadden zich echter reeds in het bosch teruggetrokken, zoodat de geheele plek thans eenzaam en verlaten scheen.

*) In de taal der Zapoteken letterlijk: quiepa hemel, toni berg, dus in 't Hollandsen: Hemel berg.

Sluiten