Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder druk, vroblijk gekout en met dat afgebroken kort schelklinkend gelach, dat der Indiaansche bevolking eigen is en zich nergens beter by laat vergelijken dan bij het rammelen van keisteentjes in een koperen schotel.

Onze twee jonge meisjes en hun gids mengden zich weldra onder den bonten hoop, in welken zij spoedig verdwenen waren.

Don Miguel slaakte een diepen zucht.

„Laat ons vertrekken," mompelde hij met een doffe stem.

Zij keerden dus naar het bosch terug, en eenige minuten later waren zy weder op weg.

Nadat zij het bosch in de breedte waren doorgetrokken, zeide don Miguel: „Hier zullen wij scheiden, ik moet naar Tubac terug."

„En ik," antwoordde de jager, „ik ga een kleinen dienst bewyzen aan een Indiaansch hoofdman."

„Gij denkt steeds aan anderen en nooit aan u zelve, brave vnend LoerVogel," riep don Miguel; „moet gy dan altijd bezig zijn om anderen te dienen?"

„Elk heeft zijn roeping in deze wereld, don Miguel, het schynt wel dat dit de mijne is."

„Ja, ja, zoo is het," antwoordde de jonkman met een gedrukte stem. — „Vaarwel," vervolgde hij een oogenblik later, „denk om onze volgende bijeenkomst."

„Wees daar gerust op ; over veertien dagen kom ik aan het veer del Rubio bij u; dat is afgesproken."

„Vergeef my mijn stilzwijgen gedurende de laatste dagen die wij samen doorbrachten," zei don Miguel, „het geheim behoort niet aan mij alleen, ik had er geen vrijheid toe om het ruchtbaar te maken, zelfs niet aan zulk een beproefd vriend als gy zijt."

„Bewaar uw geheim, vriend, ik ben in 't geheel niet nieuwsgierig.om het te weten; intusschen blijft het bij onze oude afspraak, dat wy elkander niet kennen, niet waar ?"

„Ja, dat is van het meeste belang."

„Welaan dan, adieu."

„Adieu."

Na elkander de hand te hebben gedrukt, namen de twee ruiters afscheid en verwyderden zich in tegenovergestelde richting en in vollen galop.

XI.

HET VEER DEL RUBIO.

Het was een donkere nacht, geen ster blonk aan den hemel; de wind blies met kracht door de dichte takken van het eeuwenheugend woud, en liet dat treurig en eentonig geraas hooren, hetwelk den naderenden storm aankondigt; de wolken hingen laag en hunne bijzonder zwarte kleur bewees duidelijk genoeg, dat zij sterk met electriciteit waren bezwangerd ; zy dreven

Aimard. Spoonoekar. 6e dr. 5

Sluiten