Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

snel door het luchtruim en bedekten onophoudelijk de flauwe halve maan, wier stralen nu en dan de duisternis schenen te tergen; de dampkring was Jrukkena, allerlei naamlooze geluiden, die als het rommelen van den donder Ï de verte weergalmden, verhieven zich uit het diepst der onbekende moeassen et kreupelbosschen in de prairie; het wild gedierte kulde naargeestig, ïeTwöl de nachtvogels door het ongewone gebulder uit hun slaap gewekt, hunne rauwe kreten aanhieven. ±jttLL In het kamp der Gambucinos was alles rustig; de schildwachten waakten op hunne buksen geleund, of nedergehurkt bij het smeulende vuur, dat weldra geheel zou uitgaan. Te midden van het kamp zaten twee mannen hun Indiaansche pijp te rooken en samen zacht te keuve en.

Deze Tee mannen waren Vry-Kogel en Loer-Vogel. Eradehjk Uoj,te VrM-Kogel zijn p«p uit, stak haar in den gordel, smoorde een onwillekeurig gouwen? enJ stond op, vadsig de armen en beenen uitstrekkende om er den

hl0%TllTiït^> vroeg Loer-Vogel, terwijl hij zich in aChtelooze houding half naar hem toewendde.

„Een weinig slapen," antwoordde de jager.

"waaTorniet; het is reeds diep in den nacht, wij zijn zeker de eenigsten die nog waken; het is meer dan waarschijnlijk dat wij don Miguel niet zien zullen eer de zon opkomt; het is dus beter, voor het oogenblik althans, een poosje te gaan slapen, zoo gij er tenmiste mets tegen hebt.

Loer-Vogel hield zich den vinger voor den mond, om zijn vriend te beduiden dat hii op zijn hoede moest zjjn.

Het is rieds diep in den nacht," zeide hij met een gesmoorde stem, er' b oe t een geducht onweder. Waar of don Miguel toch blnft? Znn lange afwezigheid maakt mij ik weet niet hoe ongerust; hy is de man niet „;VkSl anders dan ^om gewichtige redenen in 't onzekere te laten, het zou wel kunnen zijn...."

Hiér zweeg de jager met een bedenkelijk hoofdschudden. CU. voort" zei Vrii-Kogel, „zeg ronduit wat gij denkt. 'Welnu ik WLar al'ie zeer dat hem een ongeluk overkomen i£ O hö oudt g« dat denken? Die don Miguel is toch ten minste naar hetgeen ik van hem gehoord heb, een hombre de a cabaUa, een man van henroefden moed en buitengewone kracht.

,,Dat alle^ kan wel waar zijn," antwoordde Loer-Vogel nog even be-

Z°rWel denkt gij dan dat iemand, die zoo goed gewapend is enhet leven de; pra^e zoo door en door kent, niet in staat zou zijn om zich te redden,

onder'de oogen zag en een strijd op gelijke kans met hem aanging.

goede vriend, maak u toch niet boos om hetgeen ik zeg; ik zie maar

Sluiten