Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met het brullen der verschrikte roofdieren, het ratelen der donderslagen en het bulderen der hooggezwollen rivier, wier schuimende golven klotsten en braken tegen den zandigen oever.

Vrij-Kogel en Loer-Vogel, onder de ontzettingen der woestijn grijs geworden, schudden moedig het hoofd bij iederen rukwind die hun aangreep en vervolgden onverschrokken hun tocht. Met strakken blik de duisternis doorborend en met gespitste ooren de sombere geluiden beluisterend, die de echo's vertienvoudigd terugkaatsten, bereikten zij, zonder een woord gewisseld te hebben, het veer del Rubio. Daar, als bezielde hen één gedachte, bleven beiden plotseling staan.

Del Rubio, een verloren en onbekende bijstroom van de groote Rio Colorado, in welke hy zich na een moeilijken loop van nauwelijks twintig mijlen uitstort, is op gewone tijden slechts een smalle watersprank, die de Indiaansche prauwen met moeite bevaren, maar de paarden des te gemakkelijker doorwaden, daar hef water hun nauwelijks tot aan den buik komt. Op dit oogenblik nochtans was de stille beek opeens in een kokenden vloed veranderd, die met bulderend gedruisch in zijn bedding voortgestuwd, op zijn onstuimige wateren ontwortelde boomstammen en zelfs veenblokken en rotsklompen medesleepte.

Om in deze oogenblikken del Rubio te willen oversteken zou het werk van een krankzinnige geweest zijn; wie het had durven wagen zou in weinige minuten door den bruisenden stroom zijn weggesleept, welks drabbige gele watermassa van minuut tot minuut breeder werd.

De jagers stonden een poos onbewegelijk onder den stortregen die hen overstelpte, en staarden met peinzende blikken naar het wassende water, terwgl zij ternauwernood hunne paarden inhielden, die gedurig begonnen te steigeren, met dof en angstig gebriesch.

De menschelyke geest alleen scheen onbewogen te midden van het woeden der elementen. Twee bronzen standbeelden gelijk, stonden daar die twee mannen, roerloos én onverschrokken, als bespeurden zy niets van den vreeselijken storm die rondom hen huilde, en even kalm van ziel, als zaten zy in een of ander ontoegankelijken schuilhoek by' een vroolijk knappend en koesterend takkenvuur.

Zy hadden slechts één gedachte, namelijk hulp te brengen, aan iemand dien zij vreesden dat op dit oogenblik in dreigend gevaar verkeerde.

Eensklaps sidderden zij, hieven beiden tegelijk het hoofd op, en vestigden hun vlammende blikken strak voor zich uit; maar de duisternis was te dik, zy' konden onmogelijk iets onderscheiden.

Onder de duizend geluiden der natuur, had een enkele kreet beider oor

getroffen. .

Die kreet was een laatste noodgeschrei, een scherpe, doordringende, langdurige angstkreet, zoo als de sterke mensch, door het nog sterker noodlot overwonnen, uitstoot, wanneer hy' gedwongen wordt te erkennen dat hij onmachtig is, dat alles hem ontzinkt, en dat hij geen andere toevlucht heeft dan God alleen. De beide mannen bogen driftig het hoofd, hielden de handen aan den mond in den vorm van een roeper en slaakten op hun beurt een doorborenden en langdurigen kreet.

Ongeveer een minuut later klonk er een tweede noodkreet door het luchtruim, nog doordringender en wanhopiger dan de eerste.

Sluiten