Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O 1 hoort gij dat ?" riep Loer- Vogel terwijl hij zich hoog in de stijbeugels oprichtte en de vuisten krampachtig samenkneep, „daar is een mensch in doodsgevaar."

„Wie het ook wezen mag, wij'moeten hem redden 1" antwoordde Vrij-Kogel.

Zij hadden elkander begrepen.

Maar hoe zouden zij dien man kunnen redden ? Waar was hy ? Welk gevaar bedreigde hem ? Wie was in staat al deze vragen, die zich onwillekeurig aan hen opdrongen, te beantwoorden ?

Voor hen lag het onmogelijke.

Op gevaar af van door den stroom te worden medegesleept, dwongen de jagers hunne paarden om in de rivier af te dalen, en schier tot op den hals hunner edele maar angstige dieren gebogen, raadpleegden zij den stand' der wateren.

Maar wij hebben reeds gezegd dat de duisternis te dik was om iets te kunnen onderscheiden.

,,'t Is of de hel ons tegen houdt 1" riep Loer-Vogel wanhopig. „Mijn God ! zullen wy dien man moeten laten omkomen zonder hem te hulp te snellen ?"

Op dit oogenblik schoot een schitterende bliksemschicht door 't zwerk.

Bij dit kortstondige licht zagen de jagers een ruiter hopeloos met den stroom worstelen.

„Moed 1 moed I houd moed 1" riepen zij.

„Help 1" antwoordde de onbekende met een gesmoorde stem.

Er viel hier niet te weifelen, iedere seconde was zoo goed als een eeuw. De onbekende ruiter kampte tegen de overmoedige golven die hem wegsleepten. Oogenblikkelyk hadden de jagers hun besluit genomen. Zij gaven elkander stilzwijgend de hand en drukten gelijktijdig hunne paarden de sporen diep in de flanken; de paarden steigerden met onwillig gebriesch; maar gedwongen om den ijzeren wil en de onverbiddelijke hand van den mensch te gehoorzamen, sprongen zy snuivend en sidderend in de rivier.

Plotseling vielen er twee geweerschoten, een kogel floot tusschen de beide jagers door, en een smartelijke noodkreet verhief zich uit het midden der golven.

De man die zij ter hulp kwamen was getroffen.

Het onweder was nog altijd klimmende, de bliksemflitsen volgden elkander met ongemeene snelheid. De jagers zagen duidelijk dat de onbekende zich aan de teugels van zyn paard vastklemde en zich door hetzelve in het water liet voortsleepen.

Tevens bespeurden zij aan den anderen oever een man voorovergebogen, met de buks aan den schouder, en gereed om opnieuw vuur te geven.

„Ieder zyn werk!" riep Loer-Vogel lakoniek.

„Goed!" was het niet minder korte antwoord van Vrij-Kogel.

De Canadees nam den lasso die aan den zadelknop hing, vierde hem in de hand, liet hem over zijn hoofd zwaaien en wachtte den eerst volgenden bliksemstraal af om hem te werpen.

Hij behoefde niet lang te wachten, en hoe snel het licht ook voorbij ging, Vrij-Kogel wist zyn oogenblik waar te nemen: het werptouw snorde door de lucht en de loopende knoop slingerde zich om den hals van het zwemmende paard, dat zoo moedig met den stroom kampte.

Sluiten