Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo gij uw woord houdt en mij getrouw bljjft, zal ik zorgen dat gij voor uw gansche leven gedekt zijt; zoo niet, wees dan op uw hoede 1"

De Gambucino haalde minachtend de schouders op en antwoordde min of meer gebelgd :

„Gij behoeft mij niet te dreigen, Senor, wat gezegd is, is gezegd, en wat ik beloofd heb, heb ik beloofd." „Dat zullen we zien."

„Als gij mij niets anders meer hebt te bevelen, geloof ik dat wij goed zullen, doen met van elkander te gaan. Het begint reeds dag te worden, mijn kameraden zullen spoedig ontwaken, en ik twijfel of het u erg bevallen zou dat zij ons hier samen vonden."

„Gij hebt gelijk."

Met dit woord gingen zij van elkander; don Stefano keerde naar zijn plaats bij het vuur terug; Domingo strekte zich uit op de eerste plaats de beste, en weldra' waren beiden in slaap, of veinsden althans te slapen.

Met den eersten zonnestraal hief don Miguel het gordijn van zijn tent pp en trad naar buiten, recht op zijn gast af, die, zooals men in Frankrijk zegt, sliep met gesloten vuisten.

Don Miguel maakte er een gewetenszaak van om zulk een vreedzamen slaap te storen ; hij hurkte dus bij het vuur neder, verzamelde de verstrooide kolen, deed ze opnieuw opvlammen, rolde eene fijne maïs-cigarette en begon bedaard te rooken, tot zijn gast zou ontwaken.

Inmiddels kwam het geheele kamp in beweging, de Gambucinos begaven zich elk aan zijn morgentaak, sommigen leidden de paarden naar de rivier om ze een bad te geven, anderen rakelden de vuren op om het ontbijt gereed te maken, kortom, ieder was op zijn manier bezig ten algemeene nutte.

Eindelyk vond don Stefano, op wiens gezicht reeds eenige minuten een lastige zonnestraal gespeeld had, het oogenblik geschikt om wakker te worden, hy keerde zich om, rekte zich uit, opende de oogen en geeuwde herhaalde malen.

„Garamba !" riep hij, zich oprichtende, „het is reeds dag naar ik zie ; wat gaat zulk een nacht toch spoedig om; het is of ik nog geen uur geleden ben gaan slapen."

„Ik zie met genoegen dat gij zoo goed geslapen hebt, carballero," zei don Miguel beleefd.

„Ha zoo 1 zijt gij daar, mijn waarde gastheer," riep don Stefano met meesterlijk geveinsde verwondering; „dat belooft mij een gelukkigen dag, daar het eerste wat ik te zien krijg, terwijl ik mijn oogen opsla, het aangezicht is van een vriend."

„Ik neem dat vleiende compliment van u aan als een beleefde scherts."

„Te drommel neen! ik verzeker u, wat ik zeg is de zuivere uitdrukking van hetgeen ik denk," antwoordde de Mexicaan gemaakt goedhartig; „het zou geheel onmogelijk zijn om de eer der woestijn beter op te houden of de heilige rechten der gastvrijheid beter te begrijpen dan gy gedaan hebt."

„Ik zeg u dank voor den goeden dunk die gij voor mij aan den dag legt. Ik hoop dus ook dat gij ens niet spoedig verlaat, maar ten minste eenige dagen bij ons blijft."

„Dat zou ik gaarne willen, don Miguel; de hemel weet hoe gelukkig ik mij zou rekenen om uw aangenaam bijzijn nog eenigen tijd te genieten; ongelukkigerwijze is dit totaal onmogelijk."

Sluiten