Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Don Stefano boog met een stillen glimlach van triomf.

„Ten slotte," vervolgde don Miguel, „wensch ik dat het u gelukken zal uw fortuin uit de klauwen van die schurken te redden; maar in allen geval, caballero, hoop ik dat wij niet scheiden zullen eer wij samen ontbeten hebben. Ik wil u wel bekennen, dat uw weigering, om gisteren avond aan mijn souper deel te nemen, mij pijnlijk heeft aangedaan ...."

„O 1" viel don Stefano hem in de rede, „geloof mij, caballero ... ."

„Gij hebt u voldoende verontschuldigd, caballero, zoo erg was het niet," riep don Miguel; „maar," vervolgde hij met nadruk, „wij Gambucinos en woudloopers zijn wonderlijke menschen, wij verbeelden ons altoos, hetzij terecht of ten onrechte, dat een gast die weigert met ons te eten, onze vijand is of het ten minste worden zal."

Don Stefano onthutste min of meer bij dezen onverwachten aanval.

„Kunt gij dat veronderstellen, caballero 1" riep bij ontwijkend.

„Niet ik alleen veronderstel het, maar wij allen ; zooals ik u zeg, de lieden van onze soort zijn een wonderlijk volkje; het zijn vooroordeelen, domme ingewortelde wanbegrippen, of hoe gij het noemen wilt," meesmuilde hij met een glimlach, zoo scherp als de punt van een ponjaard; „maar het is nu eenmaal zoo en wij kunnen onzen aard niet veranderen. Ik houd het er dus voor, dat wij samen zullen ontbijten; eerst dan wil ik u goede reis wenschen en nemen wg afscheid."

Don Stefano zette een wanhopig gezicht.

„Het spijt mij vreeselijk, maar ik kan niet," riep hij schouderophalend. „Hoe daU"

„Mijn hemel! ik weet niet hoe ik u zal uitleggen wat er eigenlijk aan de hand is; 't is zoo bespottelijk, dat ik u waarlijk niet durf...."

„Spreek ronduit, caballero ; al ben ik slechts een ruw avonturier, misschien zal ik u wel begrijpen."

„Het zou u inderdaad ergeren."

„In 't geheel niet; gij z\jt immers mijn gast ? Een gast wordt ons door den hemel toegezonden, en is voor nns een heilig persoon." Don Stefano aarzelde.

„Kom!" riep don Miguel, „ik zal het ontbijt maar op laten zetten; misschien dat dan uw tong wel losser wordt."

„Daar ben ik eigenlijk het meest bevreesd voor," riep de Mexicaan met levendige drift en op zekeren toon van spijt; „en daarom kan ik, in weerwil van mgn verlangen om u genoegen te doen, uw vriendelijke uitnoodiging niet aannemen."

De jonkman fronste de wenkbrauwen.

„Zoo !" antwoordde hij, met een argwanenden blik op den spreker; „en waarom niet ?"

„Dat is het juist wat ik u niet durf bekennen."

„Durf 1 durf vrij, caballero; heb ik u niet gezegd dat gij het recht hebt om alles te bekennen ?"

„Lieve hemel I als gij er mij dan toe dwingt," sprak hij op een toon die hoe langer hoe benauwder klonk, „verbeeld u eens, dat ik aan Nuestra de los Angelos een gelofte heb gedaan, om zoo lang ik op reis ben, niet te eten voordat de zon onder is."

„Ah zoo I riep don Miguel, blijkbaar slechts half overtuigd ; „maar gisteren

Sluiten