Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

avond dan, toen ik u vroeg om met mij te soupeeren, was de zon dunkt mij reeds lang genoeg onder."

„Wacht even, ik heb nog niet uitgesproken."

„Ik luister."

„En zelfs dan," hervatte de Mexicaan, „heb ik beloofd om niets anders te eten dan eenige geroosterde maiskorrels, die ik in mijn mantelzak heb medegenomen, nadat ik ze vóór mijn afreis door een priester te Santa-Fé heb laten zegenen; ik begrijp wel dat u alles zeer belachelijk moet toeschijnen, maar wij zijn samen landgenooten, hetzelfde Spaansche bloed stroomt in onze aderen, en dus zult gij, in plaats van mij te bespotten, mij veeleer beklagen."

„Caspita 1 met hart en ziel, des te meer daar gij u aan een zeer harde penitentie hebt onderworpen. Ik zal ook niet trachten om u van uw geloof af te brengen, want ik heb het mijne zoo goed als ieder ander; ik geloof dus dat wy wijs zullen doen als wij dit onderwerp verder laten rusten."

„Gij neemt het mij dan ten minste niet kwalijk ?"

„Ik 1 waarom zou ik het u kwalijk nemen ?"

„Dus zyn wij nog altoos goede vrienden ?"

„Beter dan ooit," lachte don Miguel.

De toon echter, waarop deze woorden werden uitgesproken, was slechts ten halve geschikt om den Mexicaan gerust te stellen; hij wierp den spreker een zijdelingschen blik toe en stond op.

„Gaat gij reeds heen?" vroeg hem de jonkman.

„Als gij het mij vergunt, ga ik terstond op weg."

„Ga uw gang, ga uw gang, caballero."

Don Stefano, zonder verder te antwoorden, begon onmiddellijk zyn paard te zadelen.

„Gij hebt daar een nobel dier," merkte don Miguel aan. "ja, het is een Arabier van het zuiverste bloed."

„Het is voor de eerste maal dat ik een paard van dat kostbare ras te zien krijg."

„Beschouw het op uw gemak, caballero. Ik zeg u dank; maar ik vrees dat ik u lang zou ophouden eer ik er my" aan verzadigd had. Hola 1 zadel terstond myn paard," riep hy, zich tot Domingo wendende.

Deze bracht hem weldra een krachtvollen mustang van de schoonste soort. De jonkman wipte met een enkelen sprong in den zadel, ook don Stefano steeg te paard.

Gaat gij een wandelrit in den omtrek maken?" vroeg deze.

"Als gy het mij vergunt, zal ik de eer hebben u een eind te begeleiden, —"ten minste," vervolgde hy, met een spotachtigen lach, „zoo gij geen gelofte gedaan hebt, die het u verbiedt; in dat geval zou ik er van afzien.

„Schertst gij ?" riep don Stefano op een toon van verwyt; „gy zyt toch niet boos op mij ?"

„O hemel I neen, dat zweer ik u."

„Welnu, dan vertrekken wij zoodra gij maar wilt."

„Ik ben tot uw orders."

Zij vierden hunne paarden den teugel en reden het kamp uit. Nauwelijks echter hadden zy twintig passen gemaakt, of don Miguel hield zyn paard in en Weef staan.

Sluiten