Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bosch, dat allengs dichter en dichter werd en eindelijk in een volslagen woud veranderde.

Na een tamelijk diepe vallei of bergpas te zijn doorgereden, welks steile kanten met een ontoegangkeujk warbosch waren bedekt, kwam de jonkman aan een soort van kruisweg, waar verscheidene door de wilde, dieren gevormde loopsporen samenliepen, en waar een Indiaan in zijn bonten oorlogsdos, voor een vuurtje van bison-mest en bladrijzen, deftig zyn calumet zat te rooken, terwijl zijn gekluisterd paard op korten afstand aan de takken der jonge boomen stond te knabbelen. Zoodra don Miguel hem in 't oog kreeg, klemde hij de teugels van zijn draver met vaster hand, ten einde den Roodhuid met meer gerustheid te, kunnen naderen.

„Goeden avond, hoofdman," riep hij, met een luchtigen sprong van zijn paard stijgend, terwijl hij den krijgsman vriendschappelijk de hand drukte die deze hem toestak. <

„ Ooah /" riep de hoofdman, „ik had mijn bleeken broeder niet meer verwacht."

„Waarom niet ? Ben ik dan niet gewoon mijn woord te houden ?"

„Misschien zou het bleekgezicht beter gedaan hebben met in zyn kamp te blijven; Addick is een krijgsman, hij heeft een spoor ontdekt."

„Goed 1 aan sporen ontbreekt het immers niet in de prairie ?"

„ Ooah / maar dit is breed en zonder voorzorg getrokken ; het is blijkbaar een spoor van blanken."

„Bah ! wat kan mij dat schelen," riep de jonkman onverschillig; „denkt gij dan dat myn troep de eenigste is die op dit oogenbik de wildernis doortrekt ?"

De Roodhuid schudde het hoofd.

„Een Indiaansch krijgsman vergist zich niet op het oorlogspad. Dat spoor is van mijns broeders vijand."

„Waarom zoudt gij dat denken ?"

De Indiaan scheen niet genegen zich nader te verklaren; hij liet het hoofd op de borst zakken en antwoordde een poosje later: „Mijn broeder zal het zien."

„Ik ben sterk, goed gewapend, en geef weinig om hen die my zouden willen aanranden."

„Eén man is minder dan tien," zei de Indiaan met pedanten nadruk.

„Wie weet I" hernam de jonkman luchtig; maar dat is op dit oogenblik de vraag niet," vervolgde hij, „ik kom om het nieuws te hooren dat het opperhoofd mij heeft toegezegd."

„De belofte van Addick is heilig."

„Dat weet ik, hoofdman, en daarom heb ik niet geaarzeld hier te komen ; maar de tijd verloopt, ik heb een langen weg te maken eer ik weder in het kamp ben, er broeit een-onweder, en ik wil u wel bekennen dat ik mij daaraan niet gaarne zou blootgesteld zien op myn terugtocht; wees dus kort en bondig "

Het opperhoofd boog toestemmend en wenkte den jonkman om naast hem plaats te nemen.

„Goed; begin nu maar terstond, hoofdman, ik ben geheel oor," riep don Miguel zich op den grond nedervleiende, „maar vertel my eerst, hoe het komt dat ik u heden pas vind ?"

Sluiten