Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat komt," herhaalde de Indiaan flegmatiek, „omdat, zooals myn broeder wel weet, de Queche Fitao (Gods stad) hier ver vandaan ligt; een krijgsman is slechts een mensch, en Addick heeft schier het onmogelijke gedaan om zijn bleeken broeder nog heden te ontmoeten."

„Het zij zoo , hoofdman, en ik dank er u voor. Komen wy nu ter zake; hoe is het met u gegaan sedert onze scheiding?"

„Quiepa-Tani heeft hare poorten voor de twee blanke jonge maagden geopend; zij zijn in veiligheid, in de Quecho, ver buiten het bereik harer vijanden."

„En hebben zij u niet gelast om my iets te zeggen." De Indiaan aarzelde een poosje.

„Neen," zeide hij eindelijk,"„zij zijn gelukkig en zij wachten."

Don Miguel zuchtte.

„Dat is vreemd," prevelde hij

Het opperhoofd wierp ter sluiks een onrustigen blik in het rond. „Wat zal mijn broeder doen?" vroeg hij. „Ik zal ze spoedig gaan bezoeken."

„Mijn broeder zou verkeerd doen, memand weet thans waar zy zyn; waarom zou hij haar schuilhoek openbaar maken?"

„Ik zal, zoo ik hoop, weldra in staat zijn om vry' te handelen, zonder voor onbescheiden blikken te vreezen."

Een sombere gloed tintelde in het oog van den Roodhuid.

Alleen de Wacondah beschikt over den dag van morgen," zeide hy'.

„Wat wil de hoofdman daarmede zeggen?"

„Niets anders dan hetgeen ik zeg."

„Goed. Gaat mijn broeder met mij naar het kamp terug?" „Addick gaat weder naar Quiepa-Tani, om te waken over haar die zyn broeder hem heeft toevertrouwd " „Zal ik u spoedig wederzien ?"

„Misschien," antwoordde de Indiaan ontwijkend ; „maar," liet hij er dadelijk op volgen, „heeft mijn broeder niet gezegd dat hy plan bad zich naar de Queche te begeven ?"

„Dat heb ik."

„Wanneer komt mijn broeder daar ?"

„In de eerste dagen der volgende maand, op zijn allerlaatst. Waartoe die vraag?"

„Mijn broeder is een bleekgezicht; zoo Addick zelf hem niet in de Queche brengt, zal de blanke hoofdman er niet kunnen komen.

„Gij hebt gelijk, ik wacht u dus dien tijd op de plek waar wy elkander het laatst ontmoet hebben.''

„Addick zal er zyn."

„Goed, ik reken op u; thans moet ik u verlaten, de nacht daalt snel, da wind steekt met kracht op, ik moet weg."

„Vaarwel," antwoordde de Indiaan zonder het minste blyk dat hy hem wilde tegenhouden.

„Adieu 1" riep don Miguel.

Met dit woord sprong hy in den zadel, gaf zyn paard de sporen en reed weg.

Addick staarde hem peinzend na ; zoodra hij hem achter een bosehja had

6

Ainuurd, Spoorioeker, 6e ar.

Sluiten