Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX.

DE REIZIGERS. '

De geschiedenis die wij ons voorgenomen hebben te beschrijven, is zoo vol afwisseling en wordt zoodanig beheerscht door hetgeen men in het menschelijk leven het toeval noemt, dat wij tot ohs leedwezen ons andermaal gedwongen zien eenige stappen in ons verhaal terug te treden en den lezer naar een tooneel te voeren dat ver van het veer del Rubio plaats had, op denzelfden dag als de in ons vorige hoofdstuk vermelde feiten.

Ongeveer een uur na de tarde, — dat is het oogenblik wanneer de zon haar toppunt bereikend, hare stralen loodrecht nederschiet en het op de prairiën zoo brandend heet maakt, dat alles wat leeft en ademt in het diepst der bosschen een schuilplaats zoekt — trokken drie ruiters het veer del Rubio over en reden moedig het pad op, dat don Miguel eenige uren volgen zou.

Deze ruiters waren blanken, en wat meer is Mexicanen. Het bleek reeds terstond aan hunne kleeding en houding dat zij niet tot de klasse der avonturiers behoorden, die onder de verschillende benamingen der jagers, strikkenzetters, woudloopers, gambicunos of bandieten in de prairiën van het Westen zich ophouden en haar in alle richtingen doorkruisen.

Het kostuum der ruiters was dat der rijke hacienderos of Mexicaansche landlieden, namelijk: de breedgerande vilthoed met goud galon en prachtig met diamanten versierde torquüa (kap), de manga (mouwvest), de fluweelen calzoneras (broek) aan de knieën open, de botas vaqueros (jachtlaarzen), en eene complete wapenrusting, zonder welke niemand zich in de woestijn waagt, bestaande in een geweer, een koppel revolvers, een navajo (dolk) en een machete (korte sabel). Hunne paarden, ofschoon door de brandende hitte i min of meer afgemat, staken thans, door den overtocht over het veer een weinig verfrischt, moedig de koppen op en trappelden zoo luchtig op de fijne pooten, dat zij ondanks hunne vermoeienis weder in staat waren om des noods een verren rit te maken.

Een van de drie ruiters scheen de meester, of althans in rang boven de anderen verheven te zijn.

Het was een man van ongeveer vijftig jaar, met scherp geteekende gelaatstrekken, maar die het stempel droegen van zeldzame voortvarendheid en groote veerkracht; zijn hooge gestalte was welgevormd en forsch gebouwd en zijn vaste rechtstandige zit in den zadel kenmerkte den ouden soldaat.

Zijn beide gezellen behoorden tot de klasse der Indios mansos, een bastaardras waarin het Indiaansche bloed zoodanig met het Spaansche vermengd is, dat men hun geen bijzonder volkskarakter meer kan toekennen. Intusschen bleek het duidelijk genoeg aan hunne rijke kleeding en de gemeenzame wijze waarop zij naast hun meester voortreden, dat zij zyn volle vertrouwen genoten en door hunne sedert lang beproefde trouw veeleer zgn vrienden waren, dan zijn knechten in den gewonen zin des woords.

Sluiten