Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zooveel zich uit de gelaatstrekken van den Indiaanschen mesties laat opmaken, bij welke de sporen des ouderdoms niet gemakkelijk te ontdekken zijn, hadden deze twee mannen den gemiddelden leeftijd, namelijk veertig a vijftig jaren bereikt.

De drie ruiters reden kort achter elkander, en zagen er ernstig en bezorgd uit; van tijd tot tijd wierpen zij sombere blikken in het rond of smoorden een zucht, en vervolgden hun weg met gebogen hoofd, als lieden welke de overtuiging neerdrukt, dat zij een taak boven hunne krachten ondernomen hebben, maar dezen ondanks alles, eershalve en vooral ook uit plichtsbesef, tot iederen prijs wilden vervullen.

De tegenwoordigheid ' dezer vreemdelingen aan het veer del Rubio, was een dier buitengewone toevallen, waar niemand een verklaring van zou kunnen geven, en die zeker de jagers of Indianen in deze streek, zoo zij hen bemerkt hadden, wel zeer zou hebben verwonderd.

Op het terrein waar zij zich thans bevonden was weinig wild, zij kwamen er dus niet om te jagen. Ook lag het zoo ver buiten de uiterste grenzen der beschaafde wereld, en zoo geheel in de laatste schuilhoeken der woeste Indianen verloren, dat zij geen kooplieden of gewone reizigers konden zgn.

Welke reden had hen genoopt om zich zoo diep en in zoo geringe getale in de wildernis te begeven, waar zij in ieder menschelyk wezen dat hen ontmoette een onverzoenüjken vijand moesten verwachten ?

Waar gingen zij heen of wat zochten zij ?

Op deze tweeledige vraag had niemand kunnen antwoorden, dan zij zeiven.

Intusschen waren zij het veer overgetrokken en voor hen uit lag een onvruchtbare zandige streek, uitloopende op de bergengte of holleweg, dien wij vroeger reeds hebben leeren kennen.

Op deze dorre vlakte groeide geen enkele grasspriet; de brandende zonnestralen vielen er loodrecht op het gloeiende kiezelzand, dat de hitte zoo mogelijk nog ondragelijker en bijna verstikkend maakte. De oudste der drie ruiters wendde zich om naar zijn kameraden:

„Houdt moed, muchachos 1 (jongens)" zeide hy met een zachte stem en een droefgeestigen glimlach, terwijl hy hun op eenige mijlen afstands de eerste boomgroepen aanwees van een uitgestrekt woud, welks welige plantengroei hun een verkwikkende schaduw beloofde; „goeden moed, weldra zullen wij uitrusten."

„Laat uwe edelheid zich over ons niet bekommeren," antwoordde een der criados (knechts); „wat gy zonder klagen verdraagt, Senor, kunnen wij ook verdragen."

„De hitte is afmattend 1 Ik gevoel dat ik zoo wel als gij eenige uren rust noodig heb."

„Als het wezen moest, zouden wij het nog lang genoeg kunnen volhouden," hervatte de bediende, „maar onze paarden kunnen nauwelyks meer voort, de arme dieren zyn bek af."

„Ja, menschen en beesten hebben rust noodig. Hoe sterk onze wil ook wezen mag, het menschelyk gestel heeft zyn grenzen waarvoor het zwichten moet; schept moed 1 binnen het uur zyn wy er."

„Kom, kom, Senor, denkt niet langer om ons."

De eerste reiziger antwoordde niet en zwijgend vervolgden zij hun tocht. Intusschen bereikten zij weldra de ons bekende bergengte, die zij door-

Sluiten