Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H

pijlen of met een paar kogels begroeten, als ik aankom; maar over het geheel zijn zij slechte scherpschutters; ik ben bijna zeker dat zij mij niet zullen raken, en daarna zal ik gemakkelijk met hen in gesprek komen. Gij ziet dus dat ik zulk een groot gevaar niet loop."

„Bermudez heeft gelijk, Senor," drong thans Juanito nader aan — een bescheiden en verstandig man, die zelden anders sprak dan bij groote of dringende aangelegenheden; „gij moet hem laten begaan; wat hij voorstelt is zeker het beste dat wij doen kunnen."

„Neen 1" hervatte don Mariano, „ik zal er nooit in bewilligen. God is de Heer van leven en dood. Hij alleen mag er naar welgevallen over beschikken ; zoo mijn armen Bermudez een ongeluk trof, zou ik het mij altoos verwijten; wij zullen samen voortrijden, dan kunnen wij ons tenminste verdedigen, als wij met vijanden te doen krijgen."

Bermudez en Juanito waren juist gereed om hun meester te beantwoorden en waarschijnlijk zou de redetwist nog lang hebben geduurd, maar op dit oogenblik weergalmde de hoefslag van een paard, het lange prairiegras stoof uit elkander, en op ongeveer tien passen afstand van het drietal verscheen een ruiter. Het was een blanke, in het gewone kostuum der jagers in de prairie.

„Hola 1 caballeros 1" riep hij met de hand wuivend, terwijl hij zijn paard inhield: „komt zonder vrees vooruit, gij zgt welkom; ik heb uw besluiteloosheid opgemerkt en kom herwaarts om u gerust te stellen."

De drie mannen wisselden een blik van verrassing.

„Komt, en aarzelt niet," riep de jager; „wij zgn vrienden, zeg ik u, gij hebt niets van ons te vreezen."

„Ik zeg u dank voor uw hartelijke uitnoodiging," antwoordde don Mariano eindelijk, „en ik neem die volgaarne aan."

Thans was alle wantrouwen tusschen hen verdwenen, de vier ruiters reden gezamenlijk naar het vuur, dat zij binnen weinige minuten bereikten.

Bij het vuur zaten nog twee personen, een Indiaan en zgn vrouw.

De reizigers stegen af, ontdeden de paarden van hun zadel en tuig, en na de vermoeide dieren van voeder te hebben voorzien, zetten zij zich met innige voldaanheid by hunne nieuwe vrienden neder, die met al de hartelijkheid der woestijn hen lieten deelen in de eenvoudige gemakken en soberen voorraad van hun kampement.

De lezer zal deze drie nieuwe personen ongetwijfeld reeds hebben herkend, als Ruperto, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, die wij verheten op weg naar het Indiaansche dorp, waarheen Ruperto, op last van VrgKogel, den Roodhuid zou vergezellen.

Don Mariano en zgn tochtgenooten waren niet alleen vermoeid, maar hadden grooten honger, de jager en de Indianen lieten hen dus in alle stilte en ruimschoots hun eetlust voldoen; zoodra zij hen echter hunne papieren sigaren zagen opsteken, volgden zij hun voorbeeld en nam het gesprek een aanvang. Het begon, zooals men zegt, op de gewone krukken; over het weer, de hitte, den overvloed van het wild, maar werd weldra vertrouwelijk, ja zelfs bgzonder ernstig.

„Daar onze maaltijd thans geëindigd is, hoofd," zeide Ruperto, „moest gij ons vuur maar uitdooven, wg behoeven onze tegenwoordigheid niet ken-

Sluiten