Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baar te maken aan de vagebonden die zonder twijfel op dit oogenblik in de prairie rondzwerven."

Op een wenk van den Vliegenden-Arend doofde de Wilde-Roos het

^„Het is inderdaad de rook van uw vuur die u aan ons heeft verraden," antwoordde don Mariano.

O ia I" hervatte Ruperto lachend, „omdat wij «het zoo wilden, anders zouden wy ons vuur wel zoo hebben aangelegd dat gij er niets van had kunnen zien."

„Gij wildet dus door ons gezien worden?' „Ja, doch het was een gewaagde zaak." „Dat begrijp ik niet." Wat ik bedoel, schijnt u een raadsel, maar ik zal u zeggen wat er van is " Kijk " vervolgde de jager, zijn arm in de richting der bergengte uitstrekkend, „ziet gij den ruiter die daar ginds in vollen draf nadert? Binnen vijf minuten zal hij dicht bij ons zijn en dank zij de door mij genomen voorzorg, zal hij ons voorbijgaan zonder ons op te merken." Zijt gij bang voor dien ruiter?" „Dat niet; integendeel wy zyn juist hier om hem te hulp te komen. „Gij kent hem dus? „Volstrekt niet."

Gij wordt hoe langer hoe raadselachtiger, caballero. "Heb maar geduld," lachtte de jager; ik heb u immers gezegd dat gy het raadsel spoedig weten zoudt ?" ....

„Ja, en ik moet u bekennen, gij maakt mijn nieuwsgierigheid derwijze gaande, dat ik de ontknooping met ongeduld tegemoet zie."

Intusschen was de ruiter, dien Ruperto don Mariano had aangewezen, tot op korten afstand genaderd, en weldra reed hij slechts weinige passen van het kamp, spoorslags voorbij.

Zoodra hy aan de andere zyde in het bosch verdwenen was, nam Ruperto weder het woord op:

Een paar uur geleden, hebben wij, het opperhoofd en ik, niet ver van de "plaats waar wij ons op dit oogenblik bevinden, toevalligerwijs een gesprek afgeluisterd, waarvan deze ruiter het onderwerp uitmaakte, en dat niets behelsde dan om hem een strik te spannen en in een verfoeilyke hinderlaag te doen vallen; welke reden de twee mannen, die wij buiten hun weten beluisterden, tot dezen moorddadigen aanslag bewoog, weet ik niet; evenmin weet ik wie deze ruiter is en dat gaat mij ook niet aan; maar ik beb een ingewortelden haat tegen alles wat, hetzij veel of weinig, naar verraad nekt; de hoofdman hier denkt er evenzoo over; wij hebben dus onmiddellijk besloten om den ruiter te redden, zoo ons dat mogelijk is. Dat hij hierlangs moest wisten wij, daar hij een bijeenkomst zou hebben met een der twee individuen, wier gesprek het toeval, of laat ik liever zeggen, de Voorzienigheid ons deed beluisteren. Al waren wij overtuigd dat twee mannen, hoe dapper zij ook wezen mogen, weinig tegen een twintigtal bandieten zouden uitrichten, gaven wij echter den moed niet op, maar besloten wij om, zelfs wanneer de Hemel ons geen medehelpers toezond, met ons beiden alleen den strijd te wagen, des te meer daar de lieden, wier plan wij hadden afgeluisterd, bloeddorstige schurken schenen te zijn. Intusschen had ik op raad van het

Sluiten