Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Help, help 1" schreeuwde hij onwillekeurig met een hol klinkende stem. "Hier ben ik al 1" riep Vrij-Kogel, terwijl hij reeds naar hem toesnelde en hem dwong om weder te gaan liggen. Don Miguel staarde hem verwonderd aan.

„Wie zijt gij ?" vroeg hij een poos daarna: „wat wilt gy ? Ik ken u niet!" .., ... ,

„Daar hebt gij gelyk in," antwoordde de jager bedaard, terwyl hy hem toesprak als een kind; „maar gij zult my spoedig kennen, stel u gerust, en laat het u voor het oogenblik genoeg zijn te vernemen dat ik een vriend van u ben."

„Een vriend!" herhaalde de gewonde, die met veel moeite zyn verwarde en benevelde zinnen poogde bijeen te zamelen; „welke vriend zijt gij ?" ' „Mijn hemel!" riep de jager, „ik geloof toch niet dat gij ze met dozijnen kunt tellen; ik ben sedert eenige uren uw vriend, ik heb uw leven gered toen gij op het punt waart van het te verliezen."

„Maar dat alles zegt mij nog niets. Hoe kom ik hier? en hoe komt gy hier?"

„Gij doet my zoo vele vragen te gelijk, dat ik u onmogelijk kan antwoorden. Gy zijt gewond en uw toestand is van dien aard dat gy niet moogt spreken, wilt gij soms drinken ?"

„Ja!" antwoordde don Miguel werktuigelijk.

Vrij-Kogel gaf hem zyn kalebas-flesch.

„Maar heb ik daar straks soms gedroomd?" vroeg hij een poosje later. „Wie weet ?"

„Dat schieten, dat huilen, hetwelk ik gehoord heb ?..."

„Heeft niets te beduiden; het was maar een tijger, dien ik eenige passen van hier heb doodgeschoten."

Er volgden eenige minuten stilte; don Miguel begon dieper door te denken, er kwam licht in zyn beneveld verstand, zijn geheugen scheen te ontwaken, de jager bespiedde met nauwlettende zorg deze sporen van terugkeerende denkkracht op het gelaat van den jonkman. Eindelijk schitterde er een straal van levendig bewustzijn uit het oog des lijders, en vestigde hij een koortsachtigen blik op den ouden jager.

„Hoelang is het wel geleden dat gij mij gered hebt?" vroeg hy'.

„Nauwelijks drie uren."

„Dus is er sedert de gebeurtenissen die mij hier heen geleid hebben niet meer verloopen dan ..."

„Dan een halve nacht," verzekerde hem de jager.

„Ja, ja," hervatte de jonkman met een diepe stem, „nu begrijp ik het, een vreeselijke nacht. O I ik dacht dat ik bad moeten sterven." „Gij zijt slechts als door een wonder gered." „Ik zeg u dank." „Ik was niet alleen."

„Wie heeft mij dan nog meer geholpen ? Vertel my zijn naam, opdat ik dien voor altijd in mijn geheugen mag bewaren." „Loer-Vogel."

„Loer-Vogel!" riep de gewonde blijkbaar getroffen, „alweer hij ! O, dien naam had ik reeds moeten veronderstellen, want die man houdt veel van my. „Dat doet hij."

Sluiten