Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor de eerste maal in zijn leven zag de oude jager zich tot zwijgen gebracht; hij zocht in de herinneringen van zijn avontuurlijk leven naar een omstandigheid gelijk aan die waarin hij zich op dit oogenblik bevond; maar tot zijn groot verdriet moest hij bekennen, dat hij nog nooit iets van dien aard gezien had; deze teleurstelling maakte hem tegen wil en dank zoo mistroostig, dat hij met een norsch en ontevreden gezicht naast den jonkman voortreed.

Intusschen kwamen zij toch verder; maar op eens hoorden zy" in dezelfde richting die zij volgden en op eenigen afstand voor hen uit een heftig gedruisch van paardenhoeven.

„Daar is Loer-Vogel I" riep don Miguel.

„Hoogstwaarschijnlijk," zei Vrij-Kogel.

„Hij zal wel zeer verwonderd zijn, dat ik de hulp die hij mij brengt reeds halfweg tegemoet kom." „Dat zal hij zeker." „Laten wij wat harder doorrijden." Vrij-Kogel keek hem aan.

Gij hebt zeker een eed gedaan om u een hersenontsteking op den hals te halen, niet waar ?" zeide hij kortaf.

„Hoe dat?" vroeg de jonkman verwonderd.

„Maar mijn God I Dat is immers licht te begrijpen," hervatte de jager op knorrigen toon : „een uur lang begaat gij nu reeds dwaasheid op dwaasheid ; bedrieg toch u-zelven niet, wat gij voor kracht aanziet is niets meer dan koorts ; die alleen houdt u gaande, pas dus op en vermoei u niet langer in een onmogelijken strijd, waaruit gij\ ik voorspel het u, .nooit als overwinnaar komt. Ik heb u stil laten begaan omdat ik er tot hiertoe geen dadelijk gevaar in zag, maar geloof mij, schei er nu mee uit, gij hebt reeds genoeg gedaan om de juiste maat van uw kracht te kennen, en voor u zeiven te bewijzen wat gij in geval van nood zoudt kunnen doen; dat is voldoende, laten wij thans stil houden en wachten."

„Ik zeg u dank," antwoordde don Miguel hem hartelijk de hand drukkende, „ik zie dat gij een waar vriend zijt, uw scherpe woorden bewijzen mij dit; ja, ik ben een dwaas, maar wat zal ik anders doen, ik bevind my in een moeilijken toestand, ieder uur dat ik verlies kan mij of anderen op de grootste gevaren te staan komen; ik vrees dat ik bezwijken zal alvorens de taak te hebben volbracht die het ongeluk mij heeft opgelegd."

„Gy zult nog veel vroeger bezwijken zoo gy niet verstandig handelt; vier of vijf dagen gaan spoedig genoeg voorbij, en bovendien, wat gy niet kunt doen, zullen uw vrienden voor u doen."

,,'t Is waar, gij doet mij over myzelven blozen, ik ben niet slechts een dwaas maar een ondankbare."

„Laten wy er thans niet verder over spreken; het gedruisch komt reeds nader, waarschijnlijk zijn het uw kameraden, evenwel zouden het ook vijanden kunnen zyn, in de wildernis moet men zich op alles voorbereid houden ; gaan wij dus in dit kreupelbosch, wij zullen er geheel onzichtbaar zijn voor de blikken van wie het ook wezen mocht; zoo het Loer-Vogel is, komen wij te voorschyn, zoo niet dan houden wij ons schuil."

Don Miguel kon dezen raad niet anders dan ten volle goedkeuren; hij begreep maar al te wel, dat hij bij mogelyken strijd, in zyn tegenwoordigen toestand voor zyn vriend slechts een zeer geringe steun zou kunnen zyn.

Sluiten