Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft hij tweeërlei soort van lieden kunnen opmerken. Die twee soorten van lieden zijn vooreerst verbitterde vijanden, en ten tweede zelfopofferende vrienden. Geloof toch niet," vervolgde de jager met klimmenden nadruk, „dat ik mij in de beteekenis van hetgeen ik u heb willen zeggen bedrieg; daarin zoudt gy u al te zeer vergissen. Of komt het u niet even vreemd voor als my, thans nu gij kalm en bedaard over de zaak nadenkt, komt het u niet vreemd voor, zeg ik, dat er zoo op eens, zonder dat men begrijpen kan waarom of hoe, menschen, als het ware uit den grond zijn opgerezen, om u krachtdadig bij te staan ; en dat die menschen, toen het gevaar bijna geweken was, even plotseling weder verdwenen zijn, zonder een spoor van zich achter te laten en zonder het incognito te verbreken dat hen omhulde ; vindt gy dat niet zeer vreemd ? vraag ik u."

„Inderdaad," mompelde Loer-Vogel, „daar had ik nog niet zoo diep over nagedacht; het gedrag van die lieden komt mij hoogst onbegrijpelijk voor."

Nu, dat is juist wat ik tot klaarheid moet brengen," riep Vrij-Kogel niet drift; „de prairie is niet dicht genoeg bevolkt, dat er op ieder gegeven punt, onder een vreeselijk onweder, menschen zouden worden gevonden gereed om u te helpen, louter uit plezier om u van dienst te zijn; om zoo te handelen moeten deze lieden geheime redenen hebben gehad, die het voor ons, dringend noodzakelijk zijn om op te sporen. Wie verzekert ons byv. dat zij geen deel uitmaakten van de bende die u aanviel, en dat het geen nieuwe streek was dm u des te gemakkelijker meester te worden, een krijgslist welke alleen door onze onverwachte tegenwoordigheid mislukt is ? Ik verhaal het u, wy moeten vooral en onverwijld deze lieden gaan opzoeken, om te weten wie zy zyn en wat zij willen, in één woord, om ons te verzekeren, olf het onze vrienden dan wel onze vijanden zijn."

„Het is dunkt mij wel een beetje laat om thans nog zulk een onderzoek aan te vangen," beweerde don Miguel.

De beide jagers glimlachten, en wisselden een veelbeteekenenden blik.

Voor u, ja, die den sleutel der woestijn niet bezit, is het zeker laat," antwoordde Vrij-Kogel, maar voor ons is dit een geheel ander geval."

„Ja voorzeker," stemde Loer-Vogel hem toe; als wij maar het minste spoor van hun tocht kunnen ontdekken, hetzij een voetstap in het zand of een gebroken tak in de struiken, die ons hunne richting aanwyst, hebben wij genoeg om hen te achterhalen en zullen wij u spoedig weten te zeggen wie de onbekende lieden zijn, wier gedrag, zooals Vrij-Kogel te recht heeft aangemerkt, veel te vreemd en edelmoedig schijnt om er op te vertrouwen."

„O, dat ik u niet volgen kan 1" riep don Miguel verdrietig.

„Maak eerst dat gy' hersteld zyt; ik ben zeker dat uw rol weldra begint, want éer wij drie dagen verder zijn zullen wij u de vereischte inlichting brengen, zonder welke gij toch niets zoudt kunnen doen."

„Gij belooft mij dus dat gij binnen drie dagen terugkomt?"

„Ja, binnen drie dagen zyn wy van onze onderneming terug ; maak staat op onze belofte en draag zorg voor u zeiven, zoo dat gy onmiddellijk met ons kunt te velde trekken "

„Ik zal gereed zyn."

„Welaan, tot wederziens dan; de zon staat reeds hoog, wy' hebben geen minuut te verliezen."

„Tot wederziens en veel geluk."

Sluiten