Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geloof mij, Senor," hervatte Bermudez dringend, „gij doet beter u te verwijderen."

Don Mariano wierp een laatsten blik op zijn broeder en scheen eenige seconden besluiteloos; daarop als met geweld zich omkeerende, zeide hij tegen Bermudez:

„Gaan wij I"

Een glans van genoegen deed het gelaat van den ouden knecht ophelderen.

„Die man is u aanbevolen," riep don Mariano nog bij het heengaan tegen Ruperto; „draag voor hem al de zorg die zijn toestand en de menschelijkheid vereischen."

De jager boog zonder te antwoorden. De Mexicaansche landedelman stapte naar zijn paard, dat met de twee anderen van zijn gevolg op korten afstand aan een jongen ebbenboom was vastgebonden. Hij verwijderde zich niet dan met weerzin, het was alsof een stem in zijn binnenste hem toeriep te blijven.

Op het oogenblik toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd hem een hand op den schouder gelegd; hij wendde zich om.

Er stond een man voor hem; die man was de Vliegende-Arend.

Het opperhoofd had aan de blanken onder zijn commando de zorg toe-, vertrouwd om den gewonde over te brengen. Met het aan zijn ras eigen instinct, was hij naar de plaats der hinderlaag teruggekeerd en nauwkeurig aan 't zoeken gegaan, op iedere plek waar de loop van het gevecht de strijders had heen gevoerd. Zijn oogmerk hiermede was om eenig spoor of teeken te ontdekken, dat op de eene of andere wijze zou kunnen dienen om de belanghebbenden aangaande den strik dien men don Miguel gespannen had voor te lichten. Het toeval had zijn wensch bekroond en hem een bewijs in handen geleverd van onberekenbare waarde dat don Stefano zeker met rijn beste bloed had willen betalen om het terug te koopen en té vernietigen ; ongelukkig slechts was dit bewijs, hoe belangrijk ook, voor den Indiaan als een gesloten boek en van geen de minste kracht, omdat hij er den inhoud niet van kon ontcijferen.

De Vliegende-Arend dacht terstond aan don Mariano, die waarschijnlijk het gewicht van zijn geheimzinnige vondst gereedelijk zou kunnen verklaren; na het dus verscheidene malen omgekeerd en bekeken te hebben, borg hij het gevonden voorwerp zorgvuldig op zijn borst en keerde met al den ijver die rijn geslacht kenmerkt, en met snellen tred naar het kamp terug, waar hij zeker was den Mexicaan te zullen aantreffen.

„Gaat mijn vader vertrekken ?" vroeg de Roodhuid.

„Ja," zei don Mariano, „maar het doet mij genoegen dat ik u nog eens zien mag voor mijn vertrek, hoofdman, om u te kunnen dank zeggen voor uwe gulle gastvrijheid."

De Indiaan boog, en vervolgde met de vraag:

„Mijn vader kan zeker de boeken der bleekgezichten ontcijferen, niet waar? De blanken bezitten veel kennis en mijn vader is zeker opperhoofd bü zijn volk."

Don Mariano keek den Comanch verwonderd aan.

„Wat wilt gij daarmede zeggen ? vroeg hij.

„Onze Indiaansche vaders hebben ons geleerd om de voornaamste ge-

Sluiten