Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beurtenissen, die van de vroegste tijden af in onze st*mmen zijn voorgevallen, op daartoe opzettelijk bereide dierenvellen aan te teekenen; maar de bleekgezichten weten alles; zij kennen het groote geneesmiddel en ook zij hebben collier» (boeken)."

„Ja, wij hebben boeken, in welke wij met vastbepaalde teekens de geschiedenis der volken en zelfs de gedachten der menschen op schrijven."

„Goed," zeide de Indiaan blijkbaar verheugd, „mijn vader zal dan die teekens wel kennen, want zijn hoofd is grijs."

„Zeker ken ik die, die kennis is zeer eenvoudig; maar hebt gij er eenig belang bij dat ik ze ken ?"

De Vliegende-Arend schudde het hoofd.

„Neen," zeide hij, „ik niet, maar anderen misschien wel."

„Ik begrijp u niet, hoofdman ; wees zoo goed u duidelijker te verklaren, want ik moet hiervan daan voor dat die man daar weder bijkomt."

De Indiaan wierp een blik naar den gewonde.

„Hij zal in het eerste uur de oogen niet openen, zeide hij, „de vliegende Arend kan dus vrij met zijn vader praten."

Onwillekeurig gevoelde don Mariano zgn belangstelling opgewekt om te weten wat de Indiaan hem te zeggen had; hij besloot dus nog te blijven, en gaf hem een wenk dat hij spreken kon.

„Dat mijn vader dan hoore," hervatte de hoofdman op ernstigen toon: „de Vliegende-Arend is geen oude vrouw, hij is een beroemd opperhoofd, de woorden die zgn borst uitblaast zgn hem door de Wacondah ingegeven; de Vliegende-Arend houdt van de blanken, omdat zij goed voor hem zgn, en hem in vele omstandigheden groote diensten hebben bewezen. Na den afloop van het gevecht, heeft hij dezen morgen het slachtveld bezocht, dicht bij de plaats waar de man, dien mijn vader hier heen heeft gebracht, gevallen was; en de vliegende-Arend heeft er een zak met geneesmiddelen gevonden, die verscheidene colliers bevatte ; hij heeft die aan alle kanten bekeken, maar heeft ze niet kunnen begrgpen, omdat de Wacondah de oogen van zijn verstand met dien dichten sluier bedekt, die de Roodhuiden belet even helder te zien als de blanken; intusschen dacht de Vliegende-Arend dat deze geheimzinnige zak ofschoon voor hem onbruikbaar, misschien voor mgn vader en zijn vrienden van eenig gewicht kon zgn; daarom verborg hg dien zorgvuldig op zijn borst en kwam hij in der ijl herwaarts om hem aan mijn vader te brengen. Ziedaar is hg," vervolgde de Sachem, terwgl hij uit zijn boezem een portefeuille te voorschijn bracht en aan don Mariano overhandigde; „dat mijn vader dien aanneme."

Ofschoon de Indiaan in dit alles zeer natuurlijk te werk ging, en de portefeuille, of wat zg bevatte, voor don Mariano wellicht weinig te beteekenen had, was het toch niet zonder zekere heimelijke angstvalligheid dat de landedelman haar aannam.

De Indiaan stond met de armen op de borst gekruist en wachtte met blijkbare zelfvoldoening de gevolgen van zijn bewezen dienst af.

Don Mariano beschouwde de portefeulle met verstrooiden blik. Zij was eenvoudig van zwart chagrin leder, zonder verguldsel of andere sieraden, en zoo als reeds dadelijk bleek, meer een voorwerp van dagelgksch gebruik dan van weelde: zij bevatte een aantal brieven en papieren en was met een

Sluiten