Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en liep die met haastige blikken door. Na er twee of drie van gelezen te hebben, hield hij op, sloeg de oogen tén hemel en liet toen het hoofd op de handen zinken, met een uitdrukking van de diepste smart. . „O I riep hij wanhopig, „broeder 1 broeder I" Schep moed," antwoordde Bermudez om hem te doen bedaren. „Moed zal ik hebben!" riep hij, „het uur der gerechtigheid is aangebroken."

Er scheen bij hem op eens een schielijke verandering plaats te grijpen. Dezelfde man, die weinige oogenblikken te voren nog zoo schroomvallig was, en wiens aarzeling hem geheel ongeschikt tot handelen scheen te maken, keerde om als een blad ; 't was alsof hij grooter werd, zijn trekken namen een ontzettende strengheid aan en zijn oogen fonkelden van gramschap.

„Weg met die kinderachtige vrees 1" riep hij, „niet langer geaarzeld. Er moet gehandeld worden."

Zich tot den Vliegenden-Arend wendende, vroeg hij:

„Is die man zwaar gewond ?"

De Indiaan trad naar don Stefapo om zijn wonden te onderzoeken.

Zoolang hij hiermede bezig was, sprak niemand een woord, allen begrepen dat don Mariano eindelijk tot' een krachtig besluit was gekomen en dat hij bet zou ten uitvoer brengen, zonder aarzeling of vrees voor hetgeen er later op volgen mecht.

De Vliegende-Arend keerde na verloop van een paar minuten terug.

„Wel! hoe bevindt gij hem ?" vroeg don Mariano.

„Die man is eigenlijk niet gewond," antwoordde de Indiaan, „hij heeft slechts een ernstige kneuzing aan het hoofd ontvangen, en is daardoor in een soort van verdooving geraakt, die zeker nog wel een uur zal aanhouden."

„Zeer goed; maar als hij bijkomt, hoe denkt gij dan dat zijn toestand wezen zal ?"

„Hij kan zich misschien zeer zwak gevoelen, maar dat zal langzamerhand overgaan, zoodat hij morgen zeker even welvarend zal zijn als voor dat hij dien slag ontving."

Een bittere glimlach bewoog de lippen van don Mariano.

„Vraag dien jager, uw vriend daar, of hij eens hier wil komen, ik heb u beiden iets te zeggen en een dienst te verzoeken."

Het opperhoofd gehoorzaamde.

Hier ben ik, geheel tot uwe orders Senor," zei Ruperto. Wij zullen samen raad beleggen," begon don Mariano; „zoo heet het immers in de woestijn, als men ernstige zaken te bespreken heeft ?" De jager en de Indiaan bogen toestemmend.

„Hoort mij aandachtig," vervolgde de Mexicaan met een vaste en nadrukkelijke stem : „die' man daar ginds is mijn broeder, en die man moet sterven; ik wil hem niet dooden, maar hem voor de vierschaar brengen; gij allen die hier tegenwoordig zijt, zult zijn rechters wezen, en ik zal hem aanklagen. Zijt gij genegen mij te helpen een daad te vervullen, niet van wraak, maar van strenge gerechtigheid ? Ik herhaal het u, ik zal hem aanklagen en beschuldigen voor u allen, met de bewijzen die ik in handen heb; uw oordeel en geweten zullen worden voorgelicht ; die man zal zich mogen verdedigen, het zal hem vrijstaan ten uwen aanhoore zich

Sluiten