Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te openen, ten einde zijn terugkeer tot het werkelijk leven niet te verraden, poogde hij zich zoo veel mogelijk te herinneren welke omstandigheden zijn tegenwoordig ongeluk waren voorafgegaan, om zoodoende van stap tot stap te kunnen berekenen in welken toestand hij zich op dit oogenblik bevond, en zoo ten naastenbij te kunnen gissen in welke handen het toeval of het ongeluk hem hadden gebracht.

De taak die don Stefano ondernam was niet gemakkelijk, daar de drang der omstandigheden hem noodzaakte zijn krachtigste hulpmiddel, namelijk zijn oogen, ongebruikt te laten, waardoor hij anders de personen die hem omringden dadelijk zou hebben herkend, of althans had kunnen zien of het zijn vrienden dan wel zijn vijanden waren. Hij luisterde daarom des te scherper toe, om zoo mogelijk een woord of gezegde op te vangen dat zijn vermoedens op het spoor kon helpen en hem grond geven om er een stellige berekening op te bouwen; maar hoe slim hij het ook had overlegd, hij bleef in volslagen onzekerheid, daar de jagers, door den Indiaan gewaarschuwd, en op hunne beurt de arglistigheid van don Stefano vreezende, zich wel wachtten een woord te uiten of zelfs het minste gedruisch te maken.

Hun langdurig stilzwijgen vermeerderde niet weinig zyn ongerustheid, en bracht hem eindelijk zoodanig in 't nauw, dat hij besloot om het koste wat het wilde, er een einde aan te maken. Zijn voornemen dadelijk ten uitvoer brengende, deed hij een poging om zich op te heffen, opende onverwachts de oogen, en wierp te gelijk een bespiedenden blik om zich heen.

„Hoe gevoelt gij u thans V vroeg Loer-Vogel zich tot hem buigende.

„Zeer zwak," antwoordde don Stefano met een klagende stem, „ik gevoel een loomheid in al mijn leden, en ik heb een geweldige suizing in de ooren."

„Voelt gij ?" zei de jager. „O, maar dat is niet gevaarlyk, dat is altyd zoo, als men een val heeft gedaan." i

„Heb ik dan een val gedaan ?" hervatte de gewonde, die, daar hij Ruperto gezien en herkend had, zich meer op zijn gemak begon te gevoelen.

„Te duivel! dat zou ik wel denken," riep Loer-Vogel, „wy hebben u op de zandbank gevonden bij het veer del Rubio."

„Ah zoo, hebt gij mij daar gevonden ?"

„Ja, eenige uren geleden."

Ik zeg u dank voor de mij verleende hulp, zonder welke ik waarschijnlijk den dood zou hebben gevonden."

„Dat is zeer wel mogelijk ; maar haast u niet te zeer om ons te bedanken."

„Waarom ? vroeg don Stefano, terstond de ooren spitsend by deze dubbelzinnige verklaring, die veel had van een vermomde bedreiging.

„Weet ik het ?" antwoordde Loer-Vogel goedmoedig, niemand kan immers vooruit zeggen wat er gebeuren zal."

Don Stefano, wiens krachten snel wederkeerden en die reeds zyne helderheid van geest terug had bekomen, stond thans plotseling op, en wierp den Canadees een blik toe alsof hij zijne geheimste gedachten wilde doorgronden.

„Ik ben toch uw gevangene niet, hoop ik ?"

„Hm 1" riep de jager, zonder verder te antwoorden.

Dit korte tusschenwerpsel gaf den gewonde veel te denken, en verontrustte hem méér dan de langste verklaring.

„Laten wij vrij spreken," zeide hij naar verloop van eenige minuten.

Sluiten