Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het midden; Loer-Vogel en de Vliegen de-Arend aan zijn rechter- en VrijKogel met Ruperto aan zijn linkerhand.

Deze vierschaar in de open lucht, te midden van het natuurlijke woud en omgeven door een troep ruiters, in hunne bonte kostuums en onbewegelijk als bronzen standbeelden, maakte een even indrukwekkende als zonderlinge vertooning. De vijf mannen, met hunne strenge gezichten, gefronste wenkbrauwen, kalme en onbewegelijke houding, geleken volmaakt op een dier heilige veemgerichten, die in de middeleeuwen aan de oevers van den Rijn de onmachtige rechtspleging der wettige rechtbanken moesten vervangen om de ontelbare misdrijven tegen te gaan, en die hunne vonnissen mede onder den blooten hemel uitspraken onder het gebulder der winden en het geheimzinnig gemurmel der snel afvlietende wateren.

Ondanks zijn moedsbetooning, voer don Stefano een huivering van schrik door de leden, toen hij zijn blikken over het kamp liet weiden en al de toebereidselen zag voor dit onverbiddelijk gericht, te midden der eenzame wildernis.

„Hm!" prevelde hij in stilte, „ik geloof dat ik er minder gemakkelijk af zal komen en dat ik mij te veel heb gehaast met victorie te kraaien."

Op dit oogenblik stegen op een gegeven teeken van don Miguel, twee jagers van hunne paarden en traden naar don Stefano; deze stond van zijn legerstede op; de beide jagers namen hem onder de armen en voerden hem voor het gerechtshof.

Hij herstelde zich terstond, kruiste de armen over de borst, en wierp de vijf mannen die daar als rechters zaten een sarcastischen blik toe.

„Ha! caballero," zeide hij op spotachtigen toon tot don Miguel, „gij zijt dus mijn beschuldiger?"

De kapitein haalde even de schouders op.

„Neen," was zijn antwoord, „ik ben uw beschuldiger niet, maar uw rechter."

XIX.

HET GERECHTELIJK VERHOOR.

Na deze woorden volgde er een oogenblik van verwachting, ja bijna van aarzeling. Een doodsche stilte scheen zich over het woud uit te breiden.

Don Stefano was de eerste die den indruk van schrik te boven kwam, welke zich onwillekeurig van hem had meester gemaakt.

„Welnu," zeide hij met een blik van minachting en een heldere doordringende stem, „zoo gij mijn aanklager niet zijt, waar is hij dan? Verbergt hij zich misschien, nu het beslissende uur gekomen is ? Zou hij ter ugdeinzen voor de verantwoordelijkheid die hij op zich heeft genomen ? Laat hem verschijnen, ik wacht hem af."

Don Miguel schudde het hoofd.

„Als hij verschijnt, zult gij - misschien vinden dat hij te vroeg komt," antwoordde hij.

Sluiten