Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te pas; ik heb u reeds gezegd, dat ik geenszins uw aanklager maar uw rechter ben."

„Opperbest; geef mij mijn brieftasch terug en laat het daarmede uit wezen, want geloof mij, ik zie in de geheele zaak voor u niet het minste voordeel, of gij moest besloten hebben mij te vermoorden, wat zeer licht het geval kon zijn. Als dat zoo is, ga gerust uw gang, ik heb in 't minst geen plan om tegen de dertig of veertig bandieten te vechten, die ik hier rondom mij zie. Dood my dus, zoo gij het goedvindt, maart maak een einde aan de zaak."

Don Estevan sprak deze woorden op een toon van de uiterste minachting, die echter door zijn rechters, daar zij reeds vooraf wisten waaraan zij zich te houden hadden, niet scheen te worden opgemerkt.

„Wij hebben u uw brieftasch niet ontstolen," antwoordde don Miguel; „niemand van ons heeft die gezien, veel minder geopend; wij zijn geen bandieten en evenmin willen wij u vermoorden, maar wij zyn hier bijeengeroepen om u te vonnissen of vrij te spreken, volgens den regel der Lynch-wet, en wij zullen dien plicht volbrengen zoo onpartijdig als wij kunnen."

„Welnu, maar als dat zoo is, laat dan hy die my beschuldigt voor den dag komen, en ik zal hem vernietigen. Waarom houdt hij zich schuil? Het recht kan niet anders dan in tegenwoordigheid van al de partijen uitgesproken worden. Dat derhalve de man verschijne, die voorwendt my wegens misdaden te vervolgen waarvan ik niets weet; laat hy komen, en ik zal hem bewijzen dat hy een vuige lasteraar is."

Nauwelijks had don Estevan deze woorden gesproken, of de takken van het nabyzynd kreupelhout bogen zich uiteen, en er kwam een man tevoorschijn, die den Mexicaan met haastige stappen naderde, en hem onverschrokken de hand op den schouder legde:

„Bewijs mij, don Estevan, dat ik niets meer dan een vuige lasteraar ben," zeide hy met een diepe zware stem, terwyl hy hem tevens met een blik van onverbiddelyken haat in de oogen keek.

01" riep don Estevan, „mijn broeder I" en bij dien uitroep waggelde hij als een beschonkene, deed eenige stappen achteruit, met wijdgeopende oogen en een starenden blik terwyl een doodelijk bleek zyn gelaat overtoog.

Don Mariano hield hem met een fermen greep vast, om te beletten dat hy op den grond tuimelde, en toen met zyn gezicht bijna rakelings het zijne naderende, zeide hij:

„Ik ben uw aanklager, Estevan I zeg mij, wat hebt gy met mijn dochter gedaan ?"

Don Estevan antwoordde niet, zyn broeder zag hem een poos aan, met een blik dien wij niet wagen zullen te beschrijven ; daarop stiet hij hem met een gebaar van de uiterste verachting van zich af. De ellendeling wankelde, strekte onwillekeurig de armen uit om zich aan hem vast te houden, maar zyn krachten schoten te kort; hij viel op de knieën en verborg zijn gelaat in de beide handen, met een mengeling van woede en wanhoop die zich onmogelijk laat afschilderen.

Al de aanwezigen waren kalm en bedaard gebleven, niemand had zich verroerd of een woord gesproken, maar een heimelijke schrik had hen overmeesterd en zij wisselden blikken, waarin de beschuldigde, als hy ze had

Sluiten