Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar zich tevens gereed maken voor een verre reis, waarvan memand iets mag vermoeden. Op den 5den November aanstaande, tegen zonsondergang, zal aan de Teokali de Quinametzin een man aankomen. Die man zal don Mariano aanspreken en twee namen noemen: die van zijn vrouw en die van rijn dochter; daarop zal hij hem alles vertellen wat hij nog niet weet en wellicht hem een weinig van het geluk terug geven dat hij thans verloren heeft." — Hiermede eindigde het briefje dat niet geteekend was. Don Miguel hield op. Het is volkomen waar," riep don Mariano uiterst verbaasd. „Maar hoe hebt gij al deze bijzonderheden zoo juist kunnen weten, zijt gij het misschien die...." " „ . ,

„Zoodra de rechte tijd daar is, zal ik uw vraag beantwoorden, zei don Miguel op beslisten toon. „Vervolgt gij het overige."

Wat 'zal ik er meer bij'voegen?" hervatte don Mariano; „op den bepaalden tijd vertrok ik naar het zonderling mij aangewezen oord, en voedde in miin hart ik weet niet wat al dwaze verwachtingen. Helaas 1 de mensch is als geschapen om zich vast te klemmen aan alles wat hem van zijn ongeluk schijnt af te helpen. Eerst heden heeft de goede God mij naar zijn genadig welbehagen den man doen ontmoeten, dien ik tot hiertoe mijn broeder noemde; hem te zien wekte bij mij evenzeer verbazing als blijdschap. Hoe kwam hij hier, daar hij mij geschreven had dat hij naar Nieuw-Orleans 'vertrokken was? Een onbestemd voorgevoel, dat ik tot dusver steeds had pogen te onderdrukken, beklemde mij het hart door de onweerstaanbare vrees dat hoe ongeloofelijk het ook schijnen mocht, myn broeder de booswicht was aan wien ik al mijn ongelukken te wijten had. Intusschen bleef ik nog altijd in onzekerheid, ik dobberde tusschen hoop en twyfel, tot deze brieftasch, die door den onverlaat verloren en door het Indiaansch opperhoofd den Vliegende-Arend gevonden werd, op eens den blinddoek, welke tot dusver myn oogen bedekte, wegrukte en mij met tastbare bewijzen de verfoeilijke kunstgrepen en de gruwzame misdaden leerde kennen, door dezen eUendeling, dezen eerloozen broedermoordenaar begaan, met het onwaardige doel om mij van mijn goederen te berooven en er zyn kinderen mede te beschenken. Ziedaar, de portefeuille, doorloop de stukken en brieven die zy bevat en beslis, een iegenlijk van u, tusschen mij en mijn onwaardigen broeder.

Dit zeggende gaf hij de brieftasch aan don Miguel over, die haar echter zacht van de hand wees.

„Deze bewijzen, don Mariano, rijn voor ons overbodig, zeide hy, „wy hebben er nog sterkere in handen."

Wat wilt gij zeggen?" riep don Mariano. "Gij zult mij spoedig begrijpen," antwoordde don Miguel, opstaande. Öp dit oogenblik voer don Estevan een huivering door al zyn leden. Zonder recht -te weten waarom, raadde hij by wijze van voorgevoel, dat de beschuldiging door zijn broeder tegen hem ingebracht, nog niets was by de vlrschrikkellke feiten die don Miguel zich gereed maakte aan het licht te brengen Hü richtte onwillekeurig het hoofd op, boog het lyf voorover als werd hü door de dreigende aankondiging zijns, tegenstanders geketend en wachtte met hijgende borst en open gesperde neusgaten ten prooi aan steeds klimmenden angst, het oogenblik af waarop don Miguel weder het woord zou opvatten.

Sluiten